columneva hoeke

Klasgenootjes lopen met hun moeders mee naar huis, maar die van Joep komt niet

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld
Eva Hoeke

Koog aan de Zaan, een dinsdagmiddag in september 1991.

Joep, een magere kleuter met een weerbarstige kruin en witblonde stekeltjes, staat op het schoolplein aan de hand van juf Linda te wachten tot hij wordt opgehaald. Het is rumoerig. Klasgenootjes joelen, laten tekeningen zien, lopen met hun moeders mee naar huis.

Maar die van hem komt niet.

Nou, zegt Linda na een uur, kom dan maar effies met mij mee naar huis. Ze woont een stukje verderop met haar man Koen, een keramist. Op de foto die ze die dag maakt, hun eerste foto samen, zit Joep achter op de fiets. Korte broek, tas aan het stuur, glimlach met gesloten mond. Wanneer ze aan de boterham zitten, denkt Linda: we zullen zo wel horen wat er aan de hand is.

Dat gebeurt ook.

Alleen niet uit de mond van Joeps moeder, maar uit die van een overmacht aan zorgverleners die zich ’s middags verzamelt aan haar keukentafel. Ze hebben Joeps moeder gesproken, en die heeft gezegd dat ze hem niet meer komt ophalen, nu niet, nooit meer, ze heeft er geen zin meer in. ‘Ik word gek van hem’, is haar verklaring. Ja, de GGD en Jeugdzorg en de kinderpsycholoog zullen hun best doen om met haar te praten, maar: kan Joep tot die tijd hier blijven? Bij Koen en Linda? Ook in 1991 is het crisis in de crisisdienst.

In de dagen die volgen wordt steeds meer duidelijk. Mishandeling wordt nooit bewezen, wel dat Joep als peuter soms dagenlang rechtop in zijn bedje staat, zonder eten en drinken, luier op zijn hielen van de poep en de pies. Buren horen hem huilen. ‘Waarom zou ik hem eruit halen?’, zegt moeders tegen een buurvrouw. ‘Dat kind spoort niet.’

Daar merken Linda en Koen ondertussen weinig van. Linda: ‘Er was helemaal niks mis met hem. Ja, soms een beetje druistig, en hij maakte weleens per ongeluk iets stuk, van de zenuwen. Vind je het gek, met zo’n start.’ En zo worden ze van lieverlee verliefd op dat wonderlijke jongetje, dat van paperclips vliegtuigjes knutselt. En na twee weken zeggen ze tegen elkaar: hij moest hier maar blijven. Wel worden ze eerst flink door de mangel gehaald, want Koen heeft al twee puberkinderen, hoe zit dat precies? En waarom zijn zij en Koen eigenlijk niet getrouwd? Het wordt helemaal spannend wanneer een instantie toch een opvanghuis adviseert, voor meer pedagogische aandacht, maar dan is daar ineens Jeugdzorgmedewerker Mieke. En die ziet op het juiste moment dat Joep op een zonovergoten oktobermiddag in de tuin tegen Linda aanleunt, ontspannen, uitgerust, zichzelf. Hij zegt nog wel ‘juf’ tegen haar, maar voor Mieke is het duidelijk: dit kind leunt tegen zijn moeder.

Joeps biologische moeder zoeken ze nog één keer op, samen. Die smijt de deur voor hun neus dicht. Wanneer Koen en Linda even later tegen kennissen hoort vertellen hoe het zit, het hele verhaal zoals ze dat al jaren vertellen, gewoon, open en eerlijk, zegt hij dat ze daar nu maar eens mee moeten ophouden. ‘Júllie zijn mijn vader en moeder, punt uit.’

En zo is het 36 jaar later nog steeds.

Sterker, Joep is inmiddels zelf vader. Leuke vrouw ook, highschool sweethearts. De ene helft van het jaar is hij strandwacht in Egmond, de andere helft kamperen ze in heel Europa, waar ze van de lucht leven, naar de sterren kijken, het goed hebben. En dat druistige is er ook af, godzijdank. Linda weet nog dat zijn vinger als kind tussen een putdeksel kwam, zo’n zware. Gillend kwam hij binnen, het bot stak eruit, waarna hun buurman hen als de sodemieter naar het ziekenhuis bracht. Linda: ‘Hij is zelfs nog teruggegaan om het vingertopje uit de put te halen, zo’n lieverd was het.’

Dat laatste kan ik beamen.

Want die buurman, dat was opa Ben.

Meer over