COLUMNAleid Truijens

Kinderliteratuur is literatuur, geen werktuig voor opvoeders

Vaak lees ik mijn oudste kleinkinderen (3 en 2) voor uit recente kinderboeken, van alle racistische en seksistische smetten vrij, want daar letten uitgevers wel op. Soms grijp ik naar lievelingsboeken van mijn eigen kinderen, en van mijzelf: Jip en Janneke, of de Gouden Boekjes. In oude edities van die serie roken buschauffeurs onbekommerd een bolknak; in herdrukken is die weggegumd. De personages zelf – vaak witte mensen met zwart personeel – zijn niet overgeschilderd; zij weerspiegelen het Amerika van de jaren vijftig. Sambo, het kleine zwarte jongetje sla ik over. Een boekje voorlezen dat een kleuter introduceert met ‘hij was pik pik zwart’ – nou nee.

Maar wat een autonoom ventje, Sambo. Hij bindt in zijn eentje de strijd aan met een gemene tijger en doodt die. Zijn moeder bakt pannekoeken van het stoffelijk overschot; heerlijke gestreepte pannekoeken – laat dierenactivisten het niet horen. Ook Wim, uit Wim is weg, een hagelwit suburb-bewonertje, is eigenzinnig. Hij trekt op zijn driewieler vastberaden de wijde wereld in; de politie moet lang zoeken.

In alle grote kinderliteratuur spelen tegendraadse eenlingen een glansrol, of ze nu Pippi heten, Abeltje of Boer Boris. Ouders zijn nergens te bekennen. Dat maakt, naast haar tijdloze stijl, het werk van Annie M.G. Schmidt zo geweldig, zo houdbaar. Haar personages doen wat ze willen. Pluk woont, zonder ouders, in een flatgebouw en bestuurt een kraanwagen. Otje zwerft rond met haar vader, een illegaal, en redt hem uit de klauwen van platspuitende psychiaters. Minoes schuimt als straatkat over de daken. Hansje Pingeling tovert een leraar om in een mokkataartje en eet hem op.

Bij Schmidt willen kinderen ‘de baas van het postkantoor’ zijn, en de stempels zetten. Zelfs in de knusse wereld van Jip en Janneke hebben ouders slechts een aangeversrol. Schmidt drijft vrolijk de spot met het gezag, met de betuttelaars en de verbieders. Dat typeert haar werk meer dan dat Jips moeder huisvrouw is en Janneke met poppen speelt.

Het relletje dat vorige week oplaaide, over de rolbevestigende Jip-en-Jannekeboekjes ‘die echt niet meer kunnen’, waaide snel over, al werd de vrouw die dat zei, het Utrechtse PvdA-Statenlid Julie d’Hondt, online verrot gescholden en bedreigd. Beschamend, en wél helemaal van deze tijd. Natuurlijk mag d’Hondt dit vinden; laat haar vooral haar eigen kinderen boeken voorlezen zonder stereotiepe rolpatronen. Natuurlijk zou het mooi zijn als alle kinderen, van welke afkomst ook, zichzelf en hun gezin kunnen herkennen in kinderboeken.

Maar wat d’Hondt daarna zei, dat ze zich kon voorstellen dat Jip en Janneke uit de bibliotheek zouden verdwijnen, of van ‘een context’ – een waarschuwende bijsluiter? – moeten worden voorzien, vond ik wél griezelig. Er zijn meer mensen die denken zoals D’Hondt.

De vigerende correcte moraal opdringen aan volwassenen en kinderen, hen opsluiten in het heden, is niet de taak van de bibliotheek. Die is er ook om cultureel erfgoed toegankelijk te houden. Maak de verandering zichtbaar. Als alle boeken met een seksistische strekking moeten verdwijnen, worden de plankjes akelig leeg.

Kinderliteratuur is literatuur, geen werktuig voor opvoeders. In de literatuur mag alles wat in het echte leven leidt tot het ingrijpen van justitie of jeugdzorg. Weglopen, moordzucht, wraaklust, bedrog, verboden liefde, schandelijke gedachten – we maken het in de literatuur allemaal straffeloos mee. Dat geeft lucht.

De verbieders en de betuttelaars, die moeten maar eens in de zak van Sint, samen met de bedreigers. Eventjes, om het af te leren.

Meer over