Opinie180 Graden

Jente Posthuma: ‘Wat er gebeurt in de wereld raakt me nu, ik zie in dat ik wél het verschil kan maken’

Schrijver Jente Posthuma (46) veranderde van levenshouding, van niet-geëngageerd naar geëngageerd, van stuurloos naar meer verankerd in de wereld.

Jente Posthuma: ‘Het idee dat je als meisje niet lang of groot mag zijn, is absurd.’Beeld Ivo van der Bent

Oud levensgevoel

‘Ik voelde me niet verbonden met wat er in de wereld gebeurt, ik sprak me niet uit. Ik was het wel eens met mensen die zich druk maakten om racisme, het klimaat of feminisme, maar had niet het gevoel dat ik ergens deel van uitmaakte. Ik observeerde de wereld van een afstand.

‘In mijn eigen vriendenkring sprak ik me wel uit, maar daarbuiten hield ik me stil. Ik maakte overal grappen over. Dat is ook een manier om iets te zeggen, maar voor mij was het vaker een manier om niets te hoeven zeggen, om mezelf, of mijn aanwezigheid, te relativeren. Ik schreef interviews voor kranten, liet andere mensen aan het woord. Van jongs af aan ben ik vooral gefocust geweest op wat anderen wilden en van me nodig hadden. Daardoor ging ik nogal stuurloos door het leven, ik had geen eigen richting. De hoofdpersoon in mijn debuutroman Mensen zonder uitstraling heeft dat ook niet, maar dat zag ik pas in toen ik het boek al geschreven had.

‘Angst kan ertoe leiden dat je jezelf afsluit van anderen, waardoor je je minder betrokken voelt, niet geëngageerd. Zo werkte dat voor mij. Een natuurramp of terroristische aanslag vreesde ik niet – tenslotte stond ik overal buiten – maar het zweet brak me uit als ik een vage kennis tegenkwam in de supermarkt of door een onbekend nummer werd gebeld. Ik was bang om gezien te worden. Die angst was me zo vertrouwd dat ik hem nooit had benoemd. Het gevoel dat je geen houvast hebt, dat je ‘normaal gedrag’ van anderen moet afkijken, als kind dacht ik dat dat gewoon zo hoorde. Hoe dat komt, vind ik ingewikkeld om uit te leggen. Mijn volgende boek gaat erover, ik probeer het dus nog te formuleren.’

Kantelpunt

‘Een week na het verschijnen van mijn eerste roman in 2016 zei ik in een interview in De Gids dat ik niet zo geëngageerd ben, maar terwijl ik het zei, besefte ik dat het niet meer zo was.

‘Door het verschijnen van mijn eerste boek voelde ik mezelf ineens meer in de wereld staan. Ik had me uitgesproken, mijn stem gevonden. Daarbij kwam ook dat ik me meer ging interesseren in mijn positie in die wereld, als vrouw, als witte bevoorrechte persoon. Dus zaken als feminisme en racisme raakten me persoonlijker. En ook de rol die je daarin als schrijver kunt innemen. Je zou kunnen zeggen dat mijn houding ten opzichte van mezelf en de wereld een draai van 180 graden heeft gemaakt, en daarmee ook mijn mening over zaken in die wereld, die me ineens veel persoonlijker raakten dan vóór dat kantelpunt. Ook kreeg ik ineens de behoefte mij daarover uit te spreken.’

Nieuw levensgevoel

‘Ik ben geëngageerd, verankerd, wat er gebeurt in de wereld raakt me nu. Ik zie in dat ik wél het verschil kan maken.

‘Wat ik wil zeggen, verwerk ik in mijn schrijven, veel bewuster dan vroeger. In mijn tweede roman Waar ik liever niet aan denk doe ik dat soms subtiel, door geen gehoor te geven aan de mannelijke norm in ons taalgebruik en door een wereld te creëren waarin het mannelijke, heteroseksuele perspectief is gemarginaliseerd.

‘Maar ik ben ook expliciet, bijvoorbeeld door te benoemen hoe vrouwen vaak nog steeds worden geacht zich klein te houden. De hoofdpersoon in Waar ik liever niet aan denk doet op alle mogelijke manieren haar best om te krimpen, omdat ze op die manier meer vrienden heeft. Ook letterlijk: omdat ze erg lang is, wordt haar aangeraden een hormoonkuur te doen die haar groei remt. Dezelfde kuur die ik volgde toen ik 13 was, waarvan nu bekend is dat je er verminderd vruchtbaar van kunt worden, wat bij mij gelukkig niet is gebeurd. Maar het idee dat je als meisje niet lang of groot mag zijn, is absurd. Ook ik probeerde mezelf altijd klein te maken om anderen – vaak mannen, maar ook vrouwen – een goed gevoel te geven over zichzelf. Door een beetje door een been te zakken en geen hakken te dragen, maar ook door nooit te laten zien hoe sterk ik was.’

Het effect

‘Vroeger zei ik: demonstreren is niets voor mij, ik voel me daar ongemakkelijk bij. Dat is nog steeds wel zo, maar ik doe het toch. Zo was ik bij de antiracismedemonstratie op de Dam, liep mee in de Women’s March en de klimaatmars. Want mijn aanwezigheid voegt toch iets toe, al is het maar de extra halve vierkante meter ruimte die ik inneem in de mensenmassa. Ik eet ook geen vlees meer, ik maak wel het verschil.

‘Ik voel me rustiger, minder snel door een ander uit balans gebracht, omdat ik terug kan vallen op mezelf. Alleen ben ik nu wél bang voor zaken die mijn voortbestaan kunnen bedreigen, dat is het nadeel van aanwezig zijn.’

Meer over