InterviewEddo Verdoner

‘Je kunt niet de Holocaust herdenken en tegelijkertijd gedogen dat die wordt ontkend’

Eddo Verdoner: ‘Als meteen na de eerste spreekkoren was ingegrepen, hadden we er nu geen last meer van gehad.’ Beeld Rebecca Fertinel
Eddo Verdoner: ‘Als meteen na de eerste spreekkoren was ingegrepen, hadden we er nu geen last meer van gehad.’Beeld Rebecca Fertinel

Antisemitisme staat niet op zichzelf. Het duidt op meer vormen van discriminatie in de samenleving, zegt Eddo Verdoner, de eerste Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Aan het gedogen ervan moet een einde komen.

Al vele jaren is Eddo Verdoner, buiten zijn werkzame leven, actief binnen uiteenlopende Joodse organisaties in Nederland. Hij was voorzitter van het Centraal Joods Overleg (CJO) en de Nederlands Israëlitische Gemeente in Utrecht, en hij maakte deel uit van het bestuur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI). In april trad hij aan als (de eerste) Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Maar nog steeds kan hij worden verrast door de schaal waarop en de hevigheid waarmee het antisemitisme zich in Nederland – en elders – manifesteert.

Neem het feit dat in het kielzog van corona samenzweringstheorieën werden ontvouwd waarin Joden figureren. Dát dit zou gaan gebeuren, stond voor Verdoner al vast toen de pandemie uitbrak. Want samenzweringstheorieën gedijen bij onzekerheid en onrust, en in vrijwel elke samenzweringstheorie duikt op een zeker moment wel een Jood op. Maar dat het aantal Duitstalige uitingen van antisemitisme in het voorjaar van 2020 verdertienvoudigde ten opzichte van het voorjaar van 2019 – dát verbaasde hem toch wel.

Nieuwe en oeroude vormen van antisemitisme worden naast elkaar uitgedragen, ook dat is hem opgevallen. Zo liep een deelnemer aan een pro-Palestinabetoging in Londen rond met een beeld van de gekruisigde Jezus en de tekst: ‘Don’t let them do to you what they did to Him.’ ‘Een verwijzing naar de Joden als moordenaars van Christus: daar is het, afgezien van het antisemitisme van de oude Grieken, allemaal mee begonnen.’

Bij coronaprotesten in Nederland vergeleken betogers, getooid met Jodensterren, hun eigen lot met dat van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarmee bagatelliseerden zij de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis en schoffeerden zij de nabestaanden van de slachtoffers. Onbedoeld wellicht, maar dat is misschien juist wel het ergst van alles: dat antisemitisme op voetbaltribunes en in de feitenvrije ruimte van het internet zo gedachtenloos wordt geuit, dat betogers er ook geen been in zien om hun standpunt met een Jodenster te bekrachtigen. ‘Het antisemitische geluid is vergaand genormaliseerd. Het is gereduceerd tot een mening. Twintig, dertig jaar geleden zou die mening niet zijn getolereerd, maar nu kan ze onweersproken worden geuit. Pas als Joodse organisaties reageren, krijgt zo’n uiting de nodige aandacht. Maar dan is het eigenlijk al te laat. De platforms waarop het antisemitisme zich kan verspreiden, moeten zelf grenzen stellen. Dat moeten ze niet overlaten aan de gedecimeerde Joodse gemeenschap.’

Als Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), een functie die op voorspraak van een brede Kamermeerderheid voor ten minste twee jaar in het leven is geroepen, ziet Verdoner erop toe dat gevallen van (mogelijk) antisemitisme correct worden afgehandeld: functioneert de strafrechtketen naar behoren? Zijn strafbare uitingen goed geregistreerd? Is het OM voldoende toegerust bij de aanpak van antisemitisme?

De laatste werkzaamheden voor de opening van het Holocaust ­Namenmonument, zondag in Amsterdam, met de ­namen van ruim 102 duizend Nederlandse ­Holocaust-slachtoffers die nooit een graf hebben gekregen.  Beeld ANP
De laatste werkzaamheden voor de opening van het Holocaust ­Namenmonument, zondag in Amsterdam, met de ­namen van ruim 102 duizend Nederlandse ­Holocaust-slachtoffers die nooit een graf hebben gekregen.Beeld ANP

Een expliciet verbod op Holocaustontkenning mag in het instrumentarium van Justitie niet ontbreken, zegt Verdoner. Minister Ferdinand Grapperhaus (Veiligheid en Justitie) is het daarin met hem eens. Juist deze week markeerde hij de grens van het toelaatbare met de strafbaarstelling van Holocaustontkenning – in welke vorm en met welke onderbouwing dan ook. Daarmee wordt de slagkracht van Justitie bij de bestrijding van antisemitisme beduidend vergroot. ‘Tot dusverre werd Holocaustontkenning alleen bestraft als daarin de intentie van groepsbelediging besloten lag. Maar Holocaustontkenning was niet expliciet verboden. De strafbaarstelling strekte zich niet uit tot uitingen in de geest van: de Holocaust kan nooit hebben plaatsgevonden omdat zoiets logistiek onmogelijk was. Zo’n uitlating zal in de toekomst niet zonder gevolgen blijven’, hoopt Verdoner.

Dat de aankondiging van een expliciet verbod op Holocaustontkenning ongeveer samenvalt met de onthulling van het Holocaust Namenmonument in Amsterdam, deze zondag, berust weliswaar op toeval, maar geeft ook uitdrukking aan een hogere rechtvaardigheid. ‘Op elk van de ruim 102 duizend stenen is de naam van een slachtoffer vastgelegd, zodat we hen niet vergeten. In de spiegels boven de namenwand is de drukte zichtbaar op deze centrale plek in de stad: ondanks alles gaat het leven door. We geven het leed een plek en erkennen het daardoor. Dat moet je vertalen in strafbaarstelling van Holocaustontkenning. Het een heeft met het ander te maken. Je kunt niet de moord op 102 duizend Joden, Roma en Sinti herdenken en tezelfdertijd gedogen dat dit historische feit wordt ontkend of gerelativeerd.’

In dezelfde week waarin het verbod op Holocaustontkenning wordt aangekondigd, gingen jongeren uit Urk in nazi-achtige uniformen de straat op. Waar plaatst u dit in het spectrum van antisemitische uitingen?

‘Misschien als relativering van de Holocaust of als groepsbelediging, daar kijkt het OM naar. Het voorval heeft in elk geval een grote impact gehad op de Joodse gemeenschap. Oudere mensen hebben hulpinstanties gebeld. Vaak beseften zij niet wat er in Urk was gebeurd. In hun perceptie was het incident nog groter en bedreigender dan het in werkelijkheid was. Maar Joden van de derde generatie zijn er ook door geraakt. Naar aanleiding van zo’n gebeurtenis vragen zij zich af of hun veiligheid in Nederland wel voldoende is gewaarborgd. De betrokken jongeren hebben willen choqueren, zoveel is duidelijk. Ze weten dat de oorlog zich daar nog altijd bij uitstek voor leent.’

Maar dat is toch ook paradoxaal? Enerzijds raakt de oorlog in de vergetelheid, anderzijds provoceren mensen door naar die oorlog te verwijzen.

‘Die jongens in Urk weten wel dat die oorlog er was, maar ze voelen er niets meer bij. De oorlog is hun vreemd geworden. Ze kennen geen Joodse mensen, wellicht ook geen mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt, dus ze trekken gewoon dat nazi-uniform aan. Omdat ze nog wel een vage notie hebben dat ze daarmee mensen choqueren, en dat is leuk – denken ze. Ze hebben niet meer de context die hen kan remmen.

‘In hun gemeenschap is het incident overigens wel hoog opgenomen. Er heerst schaamte in Urk. De burgemeester en het OM zijn er volop mee bezig. En de jongeren zelf hebben zich in een brief voor hun handelen verontschuldigd. Het is een eerste stap, maar het is niet genoeg. Ik zou het op prijs stellen als die jongens ook het besef zouden uitdrukken dat ze te weinig weten van de Holocaust, en dat ze daar iets aan willen doen. Bijvoorbeeld door een cursus te volgen bij de Anne Frank Stichting, of door een bezoek te brengen aan het vroegere doorgangskamp Westerbork, of aan Auschwitz. Ze zouden kennis moeten vergaren over wat de Holocaust heeft betekend. Als ze kenbaar maken dat te willen, zou dat hen sieren.’

U zegt: die jongens voelen niets meer bij de oorlog. Geldt dat, denk u, ook voor de mensen die nazi-parafernalia verzamelen?

‘Voor de verzamelaars heeft nazi-design misschien een zekere artistieke waarde. Maar je kunt niet zeggen: het regime was fout, maar de stilering van het Derde Rijk had wel zekere verdiensten. Nee, je kunt de façade van het Derde Rijk niet los zien van zijn ideologie. Vandaar dat ik ook mijn bedenkingen had bij die tentoonstelling van nazi-design in Den Bosch, die ik zelf overigens niet heb gezien. Ik heb begrepen dat de getoonde objecten waren voorzien van verklarende teksten en disclaimers, maar die riepen meteen de vraag op: waarom laat je het dan zíén? Waarom stel je mensen bloot aan de gevaarlijke verleiding het allemaal toch wel mooi te vinden?’

En de handel in die spullen?

‘Die is bij wet verboden. Maar in de praktijk geldt die wet niet als nazi-parafernalia met educatief of museaal oogmerk worden verhandeld. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden, want het OM moet kunnen aantonen dat een transactie níét geoorloofd is. De bewijslast kan beter worden omgekeerd: jij, als koper, moet aantonen dat de uitzonderingsclausule op jou van toepassing is. Dat zou de handhaving van de wet beduidend vergemakkelijken: alles wat niet onder de uitzondering valt, is illegaal.’

Vindt u dat de overheid de gevaren van het antisemitisme voldoende onderkent?

‘Ik vrees dat veel ambtenaren denken: het beleidsterrein is belegd, dus het loopt wel. Inderdaad zijn veel instanties op alle overheidsniveaus bij de bestrijding van antisemitisme betrokken, maar ze werken langs elkaar heen, en ze hobbelen van het ene incident naar het andere. Vorige maand ging het om antisemitische leuzen van Feyenoord-supporters die ontstemd waren over de transfer van Steven Berghuis naar Ajax, nu is iedereen met Urk bezig. Maar straks ebt dat allemaal weer weg.

‘Ambtenaren en politici lijken weleens te vergeten dat antisemitisme de kanarie in de kolenmijn is, een indicator voor andere vormen van discriminatie en uitsluiting in de samenleving. Om het op de Holocaust te betrekken: naast zes miljoen Joden zijn meer dan dertig miljoen niet-Joden om het leven gekomen in de oorlog van Hitler tegen het ‘internationale Jodendom’. Antisemitisme staat dus niet op zichzelf. Het duidt op meer rottigheid in de samenleving. Het vergt een permanente, toegewijde aanpak. Maar vaak wordt eerst gewacht op initiatieven voor een bredere aanpak van discriminatie, wat in de praktijk betekent dat er niets of te weinig wordt gedaan.’

Zijn we er te lang van uitgegaan dat van de oorlog een eeuwige en universele vermaning tegen antisemitisme zou uitgaan?

‘Ik denk eerder dat het omgekeerde waar is. Onmiddellijk na die vreselijke oorlog was er geen enkel mededogen met de teruggekeerde Joden en met de nabestaanden van de slachtoffers. Daarin trad pas in de jaren zestig en zeventig een kentering op. Toen kwam de Holocaust bij de herdenkingen in het centrum van de belangstelling te staan.

‘Maar het beeld van een complete gemeenschap die fysiek uit de samenleving verdween, dat vervaagt alweer. We moeten voorkomen dat de nazi’s er uiteindelijk toch mee wegkomen. Daar gingen zij zelf min of meer van uit. In 1939 zeiden ze: wie heeft het nu nog over de Armeense genocide? Ze vertrouwden erop dat de volkerenmoord die zij beraamden ook wel onder het stof van de geschiedenis zou verdwijnen.’

Dat grote vergeten moet met ‘voorlichting en educatie’ worden tegengegaan, zegt u als NCAB.

‘Maar dat betekent niet dat het met betrekking tot de Joden uitsluitend over de Holocaust moet gaan. Dat is dweilen met de kraan open. Scholieren moeten ook kennis opdoen over de Joden buiten het bestek van de oorlog, antisemitisme en het Israëlisch-Palestijnse conflict. Hoe groot, of hoe klein, is hun gemeenschap? Wat was en is hun positie in de Nederlandse samenleving? Wat zijn hun gebruiken en wat vieren ze op hun feestdagen?

‘Joden wonen al zo’n duizend jaar in Nederland. Dan moeten we toch iets weten over hun cultuur en over het hedendaagse jodendom? Er zijn weinig Joden over in Nederland. De kans dat je er zomaar een tegenkomt, is heel klein. Maar dat is geen reden om hun cultuur dan ook maar te negeren. Voor mijn Duitse ambtgenoot is dat een belangrijk bestanddeel van zijn opdracht: behoud van het Joodse leven.’

Maar nu zijn er al docenten die ervoor huiveren om alles wat met Joden en het jodendom te maken heeft in hun lessen aan de orde te stellen, omdat niet alle leerlingen daarvan zijn gediend.

‘Helaas is dat een gangbaar verschijnsel. Uit onderzoek dat in 2015 is uitgevoerd, blijkt dat 8 procent van de docenten het moeilijk vindt om de Holocaust te behandelen, en dat 12 procent het onderwerp compleet vermijdt. Volgens Elsevier, in 2010, zou in de grote steden zelfs 22 procent van de docenten de Holocaust ooit niet of nauwelijks ter sprake hebben kunnen brengen’. Dat gebeurt overigens niet alleen op scholen met veel islamitische leerlingen, maar ook op andere scholen. Het heeft allemaal te maken met de verdwijning van de oorlog uit het collectieve geheugen, en met de normalisering van antisemitisme.’

Toch verwacht u heil van voorlichting en educatie?

‘Het vieren van Joods leven helpt bij de bestrijding van het gedachtenloze antisemitisme, daar geloof ik echt in. Kinderen en volwassenen die zich er misschien niet eens meer van bewust zijn dat ze met hun uitlatingen en hun gedrag Joden kwetsen, moeten erop worden gewezen dat ze wel degelijk kwetsen. Als ze een beeld zouden hebben van de Joodse gemeenschap, zouden ze het wellicht niet doen. De Joodse gemeenschap moet in al haar schakeringen zichtbaar worden gemaakt. Zo ontkracht je stereotypen en laat je zien dat Joden niet anders zijn dan niet-Joden.

‘Daarnaast moet je het ook over de Holocaust hebben. Want als je dat niet doet, verlies je het morele kompas waarmee je naar de wereld kijkt. Je mag andere episoden niet lukraak vergelijken met de Holocaust, maar je kunt er wel lering uit trekken.’

Maar in voetbalstadions wordt onderhand al twintig jaar geroepen: ‘Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas.’

‘Daar is de hele samenleving een beetje door afgestompt. Als we tolerant willen blijven, moeten we stoppen met gedogen. Als meteen na de eerste spreekkoren was ingegrepen, hadden we er nu geen last meer van gehad. En inmiddels menen mensen zich te kunnen verschuilen achter de veronderstelde normaliteit van het antisemitisme: als het overal wordt geventileerd, zal het wel normaal zijn. Daar moet echt een einde aan komen. Bij antisemitische spreekkoren moet de wedstrijd worden stilgelegd en moet de daders een stadionverbod worden opgelegd. En bij politieke manifestaties zouden verwijzingen naar de oorlog taboe moeten zijn. Burgemeesters zouden daar vantevoren afspraken over moeten maken met de organisatoren.

‘De organisator van de coronabetoging in Amsterdam reageerde tamelijk laconiek op het feit dat sommige deelnemers een Jodenster hadden opgespeld. Hij was het weliswaar niet eens met deze manifestatievorm, maar begreep ergens ook wel weer dat betogers zich ervan hadden bediend. Eigenlijk zei hij tegen hen: ik moet er voor de vorm afstand van nemen, maar eigenlijk vind ik het wel oké.’

Het antisemitisme deint mee met corona. Betekent dit dat de golf zich ook weer gaat terugtrekken?

‘Zolang er wordt gevaccineerd, zullen complottheorieën de ronde doen over Joden die belang zouden hebben bij zowel de pandemie als de bestrijding daarvan. En corona was slechts een van de vele bronnen van antisemitisme. Het heeft een extreem-linkse en een extreem-rechtse bedding. Het kan religieus of ideologisch zijn geïnspireerd. Het vergezelt bijna elke crisis. En daar is het Palestijnse conflict nog eens bij gekomen als voedingsbron zonder bodem. Dus nee: van het antisemitisme zijn we nog niet af. Maar het kan wel door waakzaamheid worden ingekapseld.’

Meer over