ColumnPeter Buwalda

Je kalmpjes onderschijten was de manier van mijn cavia’s om te zeggen dat ze je leuk vonden

Buddy en Nol, zo heetten onze cavia’s, al noemden we ze ook weleens Kees Venz en De Ruijter, omdat ze onze woonkamer probeerden vol te schijten met honderden kromme, bruine keuteltjes. ‘Jongens’, zeiden we geregeld, ‘het is hier geen boterham.’

Wel een boterham.

Dit continue gekak, heb ik beschreven in Bonita Avenue, waarin Buddy een bloederige cameo heeft. Als ik het wel heb, belandt hij halverwege de saga opengereten tegen een raam. Dat laatste was verzonnen, heb ik de echte Buddy verzekerd. Maar ja, leg een cavia het verschil tussen fictie en de werkelijkheid maar eens uit. Buddy ontwikkelde prompt blaassteentjes, waardoor hij tijdens het plassen hartverscheurend begon te piepen.

Ik moet aan ze denken door onze wasmachine, die ook steeds vaker piept. Het is een Zanussi uit 2007, nota bene het geboortejaar van zowel Nol als Buddy, beide allang R.I.P., natuurlijk. Wasmachines leven langer, ook zonder Calgon, maar de rek lijkt er nu toch uit. Centrifugeren doet-ie alleen nog als je het drie keer vraagt, en sinds vanochtend pompt hij niet meer af. Dokter bellen? Het casco zit onder de stickers van reparateurs, De Wasman, Teamwitgoed, Wit- en Bruingoed Noord.

Geen idee wat bruingoed is, maar het doet me alweer aan Nol en Buddy denken. Die kakten gewoon door als je ze op schoot nam, je kalmpjes onderschijten was hun manier om te zeggen dat ze je leuk vonden. Buddy ging hierin erg ver, het was zo ongeveer de lichamelijke liefde die hij ermee bedreef, aangezien ik uitzicht genoot op de vuurmond. Het was me namelijk gelukt hem op zijn rug te laten liggen, een volstrekt tegennatuurlijke bezigheid voor een prooidier: cavia’s zijn enorme schijterds (ik gaf dit reeds aan), ze koppelen pleinvrees aan een diepgeworteld strijkijzercomplex. Als je een cavia probeert om te draaien, met de wielen naar boven bedoel ik, breekt er blinde paniek uit, met al z’n spiertjes probeert hij zich in zijn vertrouwde positie te spartelen, doodsbenauwd voor roofvogels en drones.

‘Gozertjes’, zei ik, ‘we hebben een plafond. En daarbovenop een puntdak. Echt elke adelaar breekt z’n nek, geloof mij maar.’

Deden ze niet. Nol sowieso niet, dat was een stugge, maar Buddy was befluisterbaar. Dat ging zo, ik pakte hem op, liet hem rechtstandig in mijn vuist bungelen, met zijn rug tegen mijn borst, alles kits, waarna ik langzaam achterover op de bank ging liggen, hiermede het gehele systeem, incluis cavia dus, in horizontale positie kantelend, ssst, niks zeggen.

Meteen: carrosserie strelen en kruintje kussen, waardoor het seconden duurde voor hij überhaupt doorkreeg wat er gaande was en het spartelen begon. Dit keihard negeren. Minuten volhouden, kortetermijngeheugentje uitputten, hartslagje laten dalen, onderkantje blijven aaien, tot de cavia bewegingloos op z’n rug in uw losse vuist ligt. Dit wekenlang driemaal daags herhalen.

‘En toen?’ We staan in de tuin handdoeken uit te wringen.

‘Op een gegeven moment vergat Buddy dat hij een cavia was. Een begenadigd fluisteraar voelt aan wanneer.’

‘En toen haalde je je vuist weg?’

‘Precies. Traag maar neuriënd. En daar lag meneer, pootjes omhoog, te zonnebaden als een baasje, een kwartier lang, een halfuur. Zijn bekje zakte open, tongetje naar buiten. En maar kakken, hè. Het was magisch.’

‘En toen?’

 ‘Samen Jaws kijken, gefaseerd toewerken naar The Birds.’

Meer over