ColumnJasper van Kuijk

In Zweden is de vlag overal, maar toch voelt dat anders dan het patriottisme van de VS

null Beeld
Jasper van Kuijk

Je hebt van die landen waar ze tijdens de persconferenties over de strijd tegen corona drie nationale vlaggen op de achtergrond zetten en elke minister een speldje met diezelfde vlag op de revers draagt. De Verenigde Staten zijn zo’n land. Maar verrassend genoeg Zweden ook. Alleen voelt het bij Zweden heel anders dan bij de VS.

In Zweden is de nationale vlag alomtegenwoordig. Bij de eerste schooldag stonden we met alle ouders en leerlingen onder de blauw-gele tweekleur. Veel huizen hebben een vlaggenmast staan waar elke dag een wimpel aan hangt. Stadsbewoners doen het met een houten vlaggetje in de vensterbank. Het Zweedse dundoek is niet alleen een uiting van vaderlandsliefde, maar ook van feestvreugde. Feestje? Oké, slingers, ballonnen, vlag.

Ik moest daar een beetje aan wennen. Als ik in Nederland een rood-wit-blauw vlaggetje in een vensterbank zie staan denk ik toch: misschien maar niet aanbellen, die zit waarschijnlijk Volk & Vaderland te lezen of het Horst Wessellied te oefenen. In Nederland vragen we ons pas decennia na de ingebruikname van het nieuwe parlementsgebouw af waarom er eigenlijk geen nationale vlag in de plenaire zaal staat, om vervolgens iets neer te zetten ter grootte van een kaasprikker. Bij ons is nationalisme verdacht. Misschien door de Tweede Wereldoorlog of door die afkeer van autoriteit waarop we ons zo lang lieten voorstaan (we hebben het hier uiteraard over de Nederlandse volksaard pre-corona).

Maar in Zweden voelt het vlagvertoon voelt niet zozeer als een uiting van nationalisme, van je eigen land altijd vooropstellen in denken en doen, maar eerder als patriottisme, als vaderlandsliefde. En dan niet de bombastisch gedrilde vaderlandsliefde van de VS, dat met ‘America First’ nog eens lekker in de overdrijf is gegooid. Nee, het Zweedse patriottisme is er een van het zeer aaibare soort.

Want ja, Zweden zijn trots op hun land, maar aan de andere kant ook zeer internationaal en multilateraal ingesteld. De Zweedse minister van volksgezondheid verscheen op tv met een Zweeds vlaggetje opgespeld om te zeggen dat ze de export van beademingsapparaten, waarin het Zweedse Getinge een van de marktleiders is, niet zal verbieden. ‘Want als ik nu de export van beademingsapparaten verbied, wat als wij dan later mondkapjes uit Duitsland nodig hebben?’ En dat kan berekenend zijn, maar het past ook heel goed bij hoe Zweden opereert en denkt. Én bij hun conflictmijdende inborst.

Misschien komt dat Zweedse vlagvertoon ook niet agressief over door de kalme kleurstelling, ’s lands jarenlange neutraliteitspolitiek en doordat Zweden al een goeie twee eeuwen geen oorlog meer heeft gevoerd. Of ik bekijk de Zweden door mijn afkomst veel te welwillend en zitten ze in de ogen van hun Noorse, Deense en Finse buren wel verdomd dicht tegen het nationalisme aan, met dat koppige wij-weten-het-wel-even-beter ex­cep­ti­o­na­lis­me van ze. (‘Ten tijde van de coronacrisis waren in heel Europa de scholen dicht. Heel Europa? Nee, één land in het noorden bleef dapper koppig weerstand bieden.’)

En ja, de grens tussen nationalisme en patriottisme is een lastige. De rechts-populistische Zwedendemocraten zetten in hun spotjes flink in op de Zweedse vlag en clichébeelden van rood-witte huizen en meren. En mijn neef vertelde hoe een goeie dertig jaar geleden de Zweedse vlag gaandeweg een meer eng-nationalistische betekenis had gekregen, doordat (net als in Nederland) vlaggetjes op de mouwen van bomberjacks werden gedragen. Maar toen Zweden in 1994 derde werd op het WK voetbal stonden de Zweden – bijna tot nu hun eigen verbazing – en masse met het dundoek te zwaaien. Daardoor voelde de nationale vlag weer van iedereen.

Zolang het gecombineerd wordt met een open, internationale houding, vind ik dat Zweedse knuffelpatriottisme eigenlijk niet eens zo’n slecht concept.

Meer over