ColumnPeter Buwalda

In ruil voor intense belangstelling stel ik ongepaste vragen

null Beeld

Ik moest naar Sluis, wat ik maanden geleden, toen ik het afsprak, naast de deur vond klinken.

Nou, Sluis ligt welzeker naast een deur, maar niet de mijne. Zeeuws-Vlaanderen, het allerverste puntje. Zeg maar het Zeeuwse Vaals, Delfzijl, dat niveau. Om er te komen, moest ik in Breskens met een schip. Om er op tijd te komen had ik een half uur geleden naar buiten moeten rennen.

Wat vreselijk. Weer bellen, weer liegen, draaien, de Kamer verkeerd inlichten, etc. ‘Ja, goedemiddag, met mij, ja, strakjes al ja, zeker, heel veel zin in, leuk, leuk, en bedankt nog voor uw mails, haha, ik heb geen beamer nodig, trouwens, klopt, ik ben onderweg, sterker, daarom bel ik een beetje, de bus waarin ik zit staat namelijk al een half uur in een file, er kwam zojuist een ziekenwagen voorbij – dus dan weet je het wel, ik ben dus bang dat ik het veer in Breskens ga missen...’

Aardige meneer van de organisatie. Hij kwam me oppikken in Goes, we gingen tijd besparen door plankgas een tunnel te nemen naar Terneuzen, ónder het water door dus, zodat het maar een uurtje naar Sluis was. ‘U zult zien’, zei ik, ‘dat we net voor ik ga beginnen binnenkomen.’

De meneer lachte beleefd. Uren later, op station Goes, bleek hij een enorme auto te bezitten, een verlengde Audi A8 met leren bekleding en flesjes water voor op de achterbank. Dit prikkelde mijn belangstelling. Volgens mij werd de koning in precies dezelfde slee vervoerd?

Klopte.

Aangezien ik geen rijbewijs heb, zit ik vaak naast mensen van organisaties in auto’s, en tijdens die ritten vraag ik ze steevast het hemd van het lijf – ik denk uit schuldbesef, omdat ik ze later op de avond door een microfoon zal gaan bestoken met een Fidel Castro-achtige monoloog van anderhalf uur.

Maar ook omdat ik liever luister dan praat. Mensen die het tegenovergestelde doen, en dat zijn er veel, snap ik niet: ze horen nooit iets nieuws en bovendien alleen maar leugens.

De slee was bedoeld om een grootindustrieel in te vervoeren. Waar ik zat, stonden pas nog wat ingepakte Picasso’s en Klimts, die hadden hij en de grootindustrieel uit een Londens appartement verhuisd naar Genève en Monaco.

‘Brexit?’

Hij knikte. Hij vertelde dat hij eerst boekhandelaar was geweest, en ooit nog rechercheur, maar alweer een jaar of zes privéchauffeur. Ik vroeg hoeveel de grootindustrieel schoof – maar iets beleefder. In ruil voor intense belangstelling stel ik ongepaste vragen.

‘16 euro per uur.’

In Sluis ging het oké, we kwamen inderdaad een minuutje voordat ik begon binnenstormen, maar eten schoot erbij in. Na de lezing struinde ik door Sluis, ik had honger. (‘Trek’, volgens mijn opvoeding.) Alles potdicht, natuurlijk. In mijn hotel belde ik rond. Alleen Hotel De Dikke van Dale nam op, ze hadden een casino dat nog open was.

Ik erheen.

‘Van Dale van de woordenboeken?’, vroeg ik. ‘Jazeker’, zei de jongeman. ‘Die is van Sluis.’ Hij wees me het casino. De dikke kerel achter de bar, misschien een Van Dale, had alleen nog vlammetjes in de aanbieding. Ik tuitte verwend mijn lippen. Wacht maar even, zei hij, en verdween in een keukentje. Hij kwam terug met twee kadetjes met kaas – zijn lunch, denk ik. Ze smaakten ontzettend lekker, ook al omdat ik niet hoefde te betalen.

Meer over