Column

In het rijk der slapers komt eerst gerechtigheid en pas daarna rust, Astrid

null Beeld

Vanuit het landschap, dat tegenwoordig ons huis is, hebben we met de laatste resten van onze lichamen zaadjes geplant met de hoop het onmogelijke mogelijk te maken en gewoon terug te keren naar de levensjaren die ons ontstolen zijn. Het mocht allemaal natuurlijk niet baten. We zijn gewoon dood, beste Astrid. De zaadjes die we plantten, werden telkens weer gras en bloem.

Mooie flora die ons aan onze eigen schoonheid herinnert. Mooie mannen waren we. Kijk maar naar de foto’s. Vijftien mannen die in een decembermaand door een despoot in bange, gillende dieren zijn veranderd, maar de muilkorf van die despoot nooit om hebben gehad.

Om misverstanden te voorkomen: de doden kunnen niet praten. Wel kunnen we in de nachtelijke uren de wereld verhalen toefluisteren. Vanuit de inkt van schrijvers met niet alleen talent, maar ook met een geweten doen we dat. Neem ons deze ‘tijdelijke’ dwaling niet kwalijk, maar wat kunnen we anders dan onze toevlucht nemen tot de pen van een vreemde schrijver als zelfs jij een broederschap sluit met de zanikende moordenaar?

Je hebt ons versteend, Astrid. We waanden je een moeder. ‘Mama’, die zoals vrouwen op het platteland hun kinderen in een zak dragen, ons verdrietige verhalen in een zak met wonderschone zinnen naar het eeuwige land van de troost zou dragen.

Je moet weten dat honderd soorten vogels boven ons zweven. De vogels zingen, de takken van de bomen bewegen, we zijn één met de grond en hebben in het vruchtbare land van Suriname nooit honger. Is het dan geen tijd voor een welgemeend vaarwel? Niet dat we willen volharden in het geklaag, maar ook in het rijk der slapers komt eerst gerechtigheid en pas daarna rust. En alsof het allemaal niet erg genoeg is, wordt de wrange geschiedenis gevoed door het heden. Nu door jouw steun aan de tiran met ons bloed aan zijn handen. In onze handen daarentegen het water, het zand, de worm en het onrecht dat de doden is aangedaan.

Nogmaals, het is niet dat de vijftien doden dag en nacht willen weeklagen. Alleen, de eeuwige slaap lukt gewoon niet als de vraag blijft kwellen over hoeveel omhelzingen met vrienden, hoeveel kusjes op de hals van de geliefde, hoeveel strelingen over het haar van onze kinderen we zijn misgelopen. Vergeef ons dat we niet kunnen vergeten. En dat je woorden over ‘hem’ aanvoelen als de echo van de kogels die zich in onze jonge ­lichamen hebben genesteld.

Astrid, de avond valt hier niet zelden met regen. Regendruppels die ons vinden om te laten weten dat we ondanks de ons opgelegde dood niet ontheemd zijn. We zijn één met moederland Suriname, maar is de begenadigde schrijfster en dichteres, die onze zielen in haar hart en in haar pen zou moeten dragen, zelf wel vervreemd van de grootste pijn van Suriname?

Hadden we al gezegd dat de grond hier vet en vruchtbaar is? Wij waken over deze grond en kweken in deze grond de hoop op het schaarse recht in deze streken. En zolang dat recht niet wordt uitgesproken zal de rijst, de kabeljauw, de roti op de borden van alle mensen in dit land naar de papaverbloemen bij de Surinamerivier smaken. Bloemen net zo fel rood als het bloed dat van onze lichamen in de grond van het geliefde moederland is gevloeid.

Hoe is het trouwens met jou, Astrid? Hoe voelt het grootse prijzen te krijgen? Hoe zou je als begenadigd schrijver de blijdschap beschrijven die je ervaart als je werk door grootse jury’s wordt erkend en door koningen wordt beloond? Kun je er zo glorieus over schrijven dat zelfs de doden zich er een voorstelling van kunnen maken? Want, wij de doden, die vernietigd zijn door de man die je zo bewondert, kunnen niets voelen.

Dezer dagen heeft de zon het gras op onze graven de kleur van bedroefd groen bezorgd. De nieuwe seizoenen waaien hier, zoals bij jou het geval is, niet door de open ramen de kamers in. Wij zijn nu zelf die seizoenen en voeden de Surinaamse grond. We zijn de rivieren van Suriname, in de warme wind zitten we en drogen de haren van kinderen die in de rivieren zwemmen. We zijn de geur van de wereld, aanwezig in de inkt van een wildvreemde schrijver en in het licht van de ogen van mensen die niet schouder aan schouder lopen met tirannen.

Erdal Balci is schrijver en journalist.

Meer over