verslaggeverscolumntoine heijmans in leidschendam

In de drukte van de mall springt het virus bijna zichtbaar over, maar waar moet je anders heen met je tijd en je geld?

. Beeld .
.Beeld .

Al kort na het uitbreken van de pandemie weerklonk de hoop op een nieuwe toekomst: minder consumeren, meer aandacht voor de aarde en elkaar, dit was een ‘unieke kans het anders te doen’, zei trendvoorspeller Lidewij Edelkoort bepaald overtuigd op tv, ‘al die rommel waren we eigenlijk al jaren spuugzat’.

Maar het is nog niet voorbij of de files zwellen aan, van alle kanten onderweg naar het overdekte winkelcentrum om te doen wat we het allerliefste doen: shoppen. Of misschien is er gewoon niets anders te verzinnen. De parkeergarages vol, dus parkeren we, na de tergende gang over de snelweg, in de aanpalende woonwijk van lage flatgebouwen, op stoepen, dubbel, dwars, wijzend naar degenen die in de weg staan, die wellicht voordringen.

Niets staat ons in de weg: vrij toegang tot het winkelcentrum. Dicht opeengepakt beweegt zich daarbinnen de massa, je ziet het virus bijna overspringen, kraaiend op weg naar een prachtig reproductiegetal, maar het is ook meivakantie, toch, en slecht weer, dus wat moet je dan?

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

De mall in legere tijden; stampvol mag het niet op de foto. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
De mall in legere tijden; stampvol mag het niet op de foto.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Westfield Mall of The Netherlands is nieuw, ruim en luxe, honderdzeventienduizend vierkante meter volgepakt van Action tot Zara, en als ik een foto maak van de ontstellende drukte, zegt een beveiliger dat zomaar foto’s maken verboden is. Zo blijft deze samenscholing onder ons.

De beveiliger is een aardige man die uitlegt hoe hij de ‘doorstroom reguleert’: mensen vriendelijk vragen hun eetwaar niet te consumeren leunend tegen de wanden van de gangen. Daarnaast let hij op de mondkapjes, die iedereen keurig draagt, dat is het niet.

Wat het is: de winkels laten druppelsgewijs shoppers toe, en veroorzaken zo lange slingerende rijen consumenten die een halfuur van hun leven overhebben voor de Hunkemöller. Voor de Douglas. De Etos. De Steps. De MS Mode. Voor de Kippie, The Happy World of Haribo, de America Today.

Aan het eind van die rij staat Nicolette Sernee wat paniekerig om zich heen te kijken. ‘Dit is supergevaarlijk’, zegt ze, maar haar pubers ‘groeien de tent uit’ dus er moeten af en toe nieuwe kleren komen – en het leek ze ook wel een leuk dagje uit. Is het leuk? ‘Nee, vreselijk! Niemand houdt afstand!’

Omdat de rijen dwars door de gangen steken, maken mensen hink-stap-sprongen over de afzetlinten, de crowd barriers die ze kennen van Schiphol, dat zich ook alweer klaarmaakt voor goedkope massavluchten. Er is tijd en geld om stuk te slaan, na zo’n jaar van pandemie. Het is weer consumeren.

Tegen de wand in de gang naar de toiletten staat het gezin van Hans van den Brink, ze brengen de vakantie door in een Zandvoorts hotel. ‘We moeten toch wat doen’, zegt hij, ‘met dit slechte weer is dit een goede dagbesteding, en zo hebben we de ochtend alweer overleefd’. Maar waarom, vraagt Hans zich af, laten ze niet meer mensen toe tot de winkelvloer? ‘Dat is logisch om te doen.’ Regels, waarschijnlijk. Die zijn in de praktijk nooit logisch, en gelden naar believen; geen boa schrijft hier bonnen.

Wachten wij in de rij voor de New Yorker. Voor de Nike. Voor de Nijntje. Voor de Peek & Cloppenburg. Voor de Cotton Club. Voor The Stone. Voor de Lego. Voor de Bijou Brigitte. Dit is een uitzinnig fieldlab zonder lab, maar het is ook ‘perspectief’ – en dat is wat we willen.

Tegen lunchtijd is het eetplein drukker dan de soek van Marrakesh: rijen voor slagerij Christiaanse, Mr. Greek de Gyrosbar, de Itoshii. Ter plekke nuttigen is niet toegestaan, dus schuilt Raymond Kops voor de gierende wind achter een betonnen muur op het parkeerdek; hij is uit Den Bosch gekomen voor een dagje shoppen, al heeft hij niets nodig. Raymond is kok in een verzorgingshuis en laat een foto zien: gehuld in maanpak op de covid-afdeling, waar hij tijdelijk als verzorgende was ingezet. Vijf doden, op zijn afdeling van veertien. Zijn restaurant is half gesloten, je kunt er koffie halen maar geen gevulde koeken meer, dat zijn de regels. Toch is hij hiernaartoe gekomen: ‘Je moet zelf ook wat kunnen genieten’, zeker in deze tijd, ‘even van de corona weg hè.’

Tot zover de poging van de burgemeester, Klaas Tigelaar, de stormloop op het winkelcentrum wat te luwen. ‘Kom alleen als u echt iets nodig heeft en kom dan alleen’, zei hij, en zijn woorden waaiden weg.

Tijdens de dodenherdenking was de Dam bijna verlaten: niemand mocht daar bij. Geen bevrijdingsfeesten. Geen rijen voor musea, de bibliotheken verlaten, theaters dicht. Alles om het virus.

Maar de shopping mall is open. Dat hebben we verdiend.