ESSAYThe common good

‘In de crisis bleek Vadertje Staat onze belangrijkste reddingsboei’

Een samenleving die alleen nog denkt in termen van individuele vrijheid, is weerloos tegenover problemen die een gezamenlijke inzet vergen, betoogt cabaretier en filosoof Tim Fransen. 

Tim Fransen: ‘Een gemeenschappelijke betrokkenheid bij wat we belangrijk vinden moet gepaard gaan met een doorlopend democratisch gesprek daarover.’Beeld Rhonald Blommestijn

In april, een paar dagen nadat de overheid de eerste steunpakketten had aangekondigd, belde mijn boekhouder om te melden dat ik er ook voor in aanmerking kwam. Het ging om zo’n vierduizend euro. Rustig legde ik uit dat ik voorlopig niet van plan was om er gebruik van te maken. Dankzij twee succesvolle theatertournees had ik financiële reserves opgebouwd. Ik wilde geen onnodig beroep doen op gemeenschapsgeld. Dat zou op een betere manier kunnen worden besteed.

‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’

Het onbegrip van mijn boekhouder is niet verbazingwekkend. Het is zijn beroep om na te denken over wat – uiteraard binnen de grenzen van de wet – financieel het gunstigste is voor zijn cliënten. Het verbaasde me wel dat dat ik nauwelijks iemand kon vinden die mijn keuze begrijpelijk vond, laat staan lovenswaardig. Sommige mensen reageerden zelfs uitgesproken verontwaardigd: ‘Je betaalt toch ook belasting?’, klonk het. ‘Als de overheid je geld afpakt, waarom zou je het dan nu niet van ze aannemen?’

Daar waar ik had gehoopt dat mensen me zouden binnenhalen als held, bleek het tegendeel het geval: ik was niet goed bij m’n hoofd.

Onlangs las ik het nieuwe boek van rockster-filosoof Michael Sandel: The Tyranny of Merit. De hoofdmoot is een aanklacht tegen de meritocratie, het maatschappelijke ideaal dat mensen beloond worden – met geld, erkenning, goede banen – naar hun verdiensten (merites). Dit ideaal speelt winnaars en verliezers tegen elkaar uit, betoogt Sandel. De aanklacht maakt deel uit van een bredere bekommernis in zijn werk: de zorg om de publieke zaak. What’s Become of the Common Good?, luidt de ondertitel van het boek. Dat is iets wat ik me de afgelopen tijd regelmatig heb afgevraagd. Wat legt deze coronacrisis bloot over onze betrokkenheid bij de publieke zaak?

Toen deze crisis toesloeg, werd voelbaar hoe breekbaar de beschaving is. Het gevoel van maatschappelijke urgentie was groot. De opiniepagina’s stonden bol van artikelen met de strekking: ‘Dit is het moment om de samenleving opnieuw in te richten.’ We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, leken we te beseffen. We klapten voor onze vakkenvullers en onze helden van de zorg. Mensen stonden zelfs met pizza op de stoep bij het ziekenhuis om het zorgpersoneel te ondersteunen.

Sandel wijst er fijntjes op dat deze saamhorigheid weinig om het lijf had. Het was een solidariteit gebaseerd op angst: we waren bang voor lege schappen en voor een akelige nieuwe ziekte. Deze tweede golf lijkt Sandels gelijk te bewijzen. Nu we een beetje aan corona gewend zijn en de vrees voor lege schappen is geweken, is ook het applaus weggestorven. Angst heeft grotendeels plaatsgemaakt voor ongedurigheid, en we lijken vooral bezig met wat deze crisis betekent voor onze persoonlijke situatie. In de woorden van een bevriende ic-arts: ‘Ik moet tegenwoordig weer mijn eigen eten kopen.’

Sandel wijt de uitholling van de publieke zaak voor een belangrijk deel aan de toegenomen economische ongelijkheid en, zoals gezegd, aan het ideaal van de meritocratie. Los van het feit dat de Amerikaanse samenleving (noch die van ons) bij lange na niet voldoet aan het meritocratische ideaal – de gelijke kansen zijn immers ver te zoeken – zou het realiseren van dit ideaal niet per se een wenselijke samenleving opleveren. In zo’n samenleving gaan de winnaars al snel geloven dat hun verworven positie volledig hun eigen verdienste is.

Sandel maakt korte metten met deze ‘meritocratische verwaandheid’. Ten eerste is het een kwestie van pech en geluk welke talenten we toebedeeld krijgen. Ten tweede is het een kwestie van pech en geluk in welke mate onze samenleving die talenten waardeert. Bijvoorbeeld: Michael Jordan had niet alleen het geluk te worden geboren met een uitzonderlijk talent voor basketbal; hij had ook het geluk ter wereld te komen in een tijd en plaats waarin mensen er verzot op waren. Was Michael Jordan geboren in het Italië van de Renaissance, dan was hij vermoedelijk niet geëindigd aan de top van de inkomens- en statusladder. Destijds zaten mensen meer te wachten op frescoschilders dan op mensen die heel goed een bal door een hoge hoepel konden gooien. In plaats van verwaandheid, past de ‘winnaars’ eerder een houding van dankbaarheid en nederigheid.

De meritocratische verwaandheid van winnaars is niet alleen ongegrond, zij is vooral schadelijk voor het sociale weefsel van de maatschappij. Het geloof van de winnaars dat ze hun succes aan niemand anders te danken hebben dan zichzelf en daarom ook niemand iets verschuldigd zijn, ondermijnt elke basis voor solidariteit. Ook verliezers wordt ingewreven dat ze hun benadeelde positie aan zichzelf te wijten hebben. De meritocratie is immers geen remedie tegen ongelijkheid, integendeel: het is een rechtvaardiging van ongelijkheid. Dit kweekt niet alleen gevoelens van ressentiment (tegen de meritocratische elite), maar creëert ook een dankbare voedingsbodem voor populisten die met deze gevoelens aan de haal gaan.

Nederland is geen Amerika. De ongelijkheid is hier kleiner, net als het geloof in de Amerikaanse droom – het waanidee dat als je maar hard genoeg werkt, succes je ten deel zal vallen. Als het gaat om de uitholling van de publieke zaak, is de diagnose daarmee nog niet compleet. Een andere oorzaak zit in de spanning tussen the common good en ons politieke model, een spanning waar Sandel in zijn vroegere werk over schreef.

Om dat te begrijpen, moeten we stilstaan bij wat we onder the common good verstaan. Bij gebrek aan beter wordt het vaak vertaald met ‘de publieke zaak’ of ‘het algemeen belang’, maar eigenlijk dekt dit niet de lading. Het is namelijk meer dan een gedeeld belang. The common good is het goede dat ons bindt, een gemeenschappelijke betrokkenheid bij wat we belangrijk vinden gepaard met een doorlopend democratisch gesprek daarover. Deze politieke gemeenschapszin moeten we niet verwarren met chauvinistisch nationalisme. Het gaat om het besef dat we op een reële manier een gemeenschap vormen. We moeten een stuk grond op deze aardbol met elkaar delen, we moeten het eens worden over welke wetten gelden, en over hoe we ons belastinggeld willen besteden. Dit alles kan niet zonder een gesprek over wat we belangrijk vinden.

Kortom: the common good moet voortkomen uit de realisatie dat we, ook zonder coronacrisis, in hetzelfde schuitje zitten. Alleen al het doorgronden van de betekenis van the common good maakt duidelijk hoe ver we van zoiets verwijderd zijn.

De uitgangspunten van ons politieke model, de zogenaamde liberale democratie, verklaren veel. Het democratische gedeelte staat voor een bestuursvorm waarbij het volk de macht heeft, het liberale gedeelte staat voor een grondwet die onze individuele vrijheden met rechten beschermt. Die grondwet voorkomt dat democratie een ‘tirannie van de meerderheid’ wordt, waarbij de belangen van minderheden overheerst kunnen worden door de wil van de meerderheid.

Dit betekent ook dat er een zekere spanning bestaat tussen de liberale democratie en zoiets als the common good. Wij hebben er een principe van gemaakt dat individuen niet zomaar ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan het algemene belang. Dat is wat ons model het meest onderscheidt van totalitaire regimes. Landen als China, de Sovjet-Unie, of de oude Griekse stadstaat Sparta deins(d)en er niet voor terug om de vrijheid, de privacy, of zelfs de levens van hun burgers op te offeren voor het algemene belang.

Drie hoeraatjes dus voor de liberale democratie.

Of misschien twee, want het is ook de zwakte van ons politieke model. Een gevaar is dat het liberale idee overstroomt van de politiek naar onze cultuur als geheel. Dat de nadruk op individuele rechten en vrijheden het belang van maatschappelijke plichten en verantwoordelijkheden verdringt. Mijn beslissing geen gebruik te maken van een steunmaatregel is daarvan een heldere illustratie. Het complete onbegrip hierover verwacht je alleen in een samenleving waarin burgers gewend zijn te opereren vanuit eigenbelang, omdat ze ergens ‘recht op hebben’.

De aansporing dat we ‘het samen moeten doen’ klinkt dan ook hol, helemaal uit de mond van een liberale premier wiens eigen VVD bij uitstek de logica vertegenwoordigt van eigenbelang en individualisme. Datzelfde geldt voor het beroep op onze solidariteit met de kwetsbaren. De VVD staat er niet om bekend daar de hoogste prioriteit van te maken. Dit is overigens niet zozeer een aanval op de VVD, maar eerder een aanval op onze volksgeest, die de VVD telkens weer tot grootste partij verkiest.

Het gebrek aan politieke gemeenschapszin wreekt zich tijdens deze gezondheidscrisis. Het is namelijk niet in ieders individuele belang – denk aan jonge, gezonde mensen – om zich aan de regels te houden. Daarnaast hebben we te maken met twee andere, steeds verder escalerende crises: een economische en een ecologische. Op economisch vlak dreigt de coronacrisis nu al een diepere kloof te slaan tussen arm en rijk. Alleen door de ongelijkheid terug te dringen valt een giftig politiek klimaat te voorkomen, een klimaat waarbij populisten gevoelens van ressentiment nog verder zullen aanwakkeren en uitbuiten. Voor de noodzakelijke klimaattransitie zal eveneens solidariteit het uitgangspunt moeten zijn, willen we iedereen meekrijgen. En ook hier geldt des te meer dat het fel verdedigen van onze individuele verworvenheden dat bij voorbaat een verloren zaak maakt.

Uiteindelijk is de tegenstelling tussen de liberale democratie en het algemeen belang een valse. Een samenleving die alleen nog denkt in termen van individuele vrijheid, en daarmee maatschappelijke achteloosheid kweekt, is weerloos tegenover problemen die een gezamenlijke inzet vergen. Betrokkenheid bij the common good is dus geen overbodige luxe of een gezelligheidsproject. Het besef dat we in hetzelfde schuitje zitten is een noodzakelijke voorwaarde om de liberale democratie overeind te houden.

Het lastige van dit soort cultuurkritiek is dat elk voorstel tot een concrete oplossing al snel potsierlijk lijkt in verhouding tot de omvang van het probleem. Moeten we die zoveelste vermakelijke Netflix-serie laten voor wat-ie is en ons door de nieuwste pil van Piketty ploegen? Moeten we vaker een open gesprek aangaan met iemand die er compleet andere denkbeelden op nahoudt? Moeten we ons aanmelden als vrijwilliger bij de voedselbank? Vluchtelingen helpen met taallessen? Ons aansluiten bij Extinction Rebellion? Niet meer op de VVD stemmen?

Het zijn allemaal stapjes in de goede richting, maar een cultuurverandering als deze gebeurt niet van de een op de andere dag. Het begint bij het nederige besef dat onze talenten een geschenk zijn en geen verdienste. Datzelfde geldt voor de mogelijkheden om die talenten te ontplooien; die hebben we grotendeels aan de samenleving te danken. Dit besef zou voor een gezonde basis moeten zorgen van solidariteit en maatschappelijke erkentelijkheid.

Meer concreet pleit Sandel ervoor om gebruik te maken van het belastingsysteem als middel van waardering en ontmoediging. Denk daarbij aan loonsubsidies voor banen die we beschouwen als maatschappelijk waardevol. Deze overlappen grotendeels met de banen die tijdens deze crisis essentieel bleken te zijn: verpleegpersoneel, vuilnismannen, leraren. Denken ook aan belasting op werkzaamheden die niks wezenlijks bijdragen aan de samenleving, zoals flitshandel.

Een betere herinnering aan het belang en de kwetsbaarheid van de publieke zaak dan de coronacrisis krijgen we niet. Tijdens deze crisis is Vadertje Staat de belangrijkste reddingsboei gebleken. Het is de staat die niet alleen het zorgsysteem financiert, maar die ook de essentiële noodsteun levert aan ondernemingen, theaters, mensen zonder werk. Die steun komt uit onze collectieve pot met geld. Tegelijkertijd blijven multinationals en superrijken erin slagen hun winsten en vermogens weg te sluizen, een flagrante onrechtvaardigheid die altijd al onacceptabel was, maar door de coronacrisis helemaal onverteerbaar is geworden. In essentie is dit de de ultieme ondermijning van the common good. Want als het de rijksten en grote bedrijven is toegestaan om wel van alle maatschappelijke voorzieningen te profiteren – de infrastructuur, de rechtsorde, goed opgeleide werknemers – zonder er zelf een fatsoenlijke bijdrage aan te leven, waarom zou dan niet iedereen er zo’n instelling op nahouden?

Een einde maken aan deze onrechtvaardigheid is de meest prangende van alle concreet te nemen maatregelen. De huidige situatie doet mij twijfelen of ik geen Gekke Henkie ben om overheidssteun te weigeren. En of ik toch niet beter de suggestie van een vriend ter harte kan nemen: cash die paar duizend euro steun er de sekswerkers mee. Alles voor de publieke zaak.

Tim Fransen is cabaretier en filosoof.

Meer over