ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

In café De Walvis wil ik drank, ik wil naar mijn vrienden, ik wil die son in de see sien sakken

null Beeld

Op een winterse dag raak ik aan de kop van de bar van café De Walvis in gesprek met een oude man. Tenminste, hij begint tegen mij te praten terwijl ik op mijn tenen sta te popelen om te bestellen. Om ons heen verdringen zich horden dorstigen in dikke jassen. Bladen vol juttersbitter, bier en bitterballen gaan over hoofden van hand tot hand. In de serre van het café, uitziend op het Groene Strand, daar waar de zon hemeltergend mooi aan het ondergaan is, zitten mijn vrienden voor wie ik een rondje haal. Ze lachen heel hard om iets. Ik wil weten om wat. Ongeduldig probeer ik een van de barmannen te seinen.

De oude man buigt naar me toe en zegt dat hij stuurman is geweest op de Holland-Amerikalijn en als jongen hier op de Zeevaartschool zat. Ik vind het een nogal plotse mededeling, zo uit het niets. En wat moet ik terugzeggen? Ik wil drank, ik wil naar mijn vrienden, ik wil die son in de see sien sakken. Het gezicht van de man is rood en verweerd; een zeemanskop. Ineens daagt me iets: mijn oom ging hier ook naar de Zeevaartschool, oom M., de jongste broer van mijn moeder.

Oom M. was een echte kapitein, zo een met een scherpe kaaklijn, een eeuwig gebruinde huid en een nonchalante sigaret tussen de lippen. Toen ik 11 was, verdween hij. Waarheen was mij een raadsel. Ik was kind, dus buitengesloten waar het grotemensenkwesties betrof. Ik begreep er niets van, verdwijnen, hoe kon dat? Waar was hij dan, waarom ging de politie niet op zoek? Maar zijn verdwijning was een feit, en niemand hoorde ooit meer iets van hem. Tot hij twintig jaar later, op de begrafenis van mijn oma, ineens weer opdook. Klein, bleek en met een trillende sigaret tussen de lippen - er was nauwelijks iets van de kapitein over. Die nacht sloot mijn tante hem weer in haar armen. Hij bleek ongeneeslijk ziek. Zes maanden later stierf hij.

Simon Carmiggelt, 1961, in café Van Stelten, Amsterdam. Beeld Eddy Posthuma de Boer
Simon Carmiggelt, 1961, in café Van Stelten, Amsterdam.Beeld Eddy Posthuma de Boer

‘Mijn oom zat ook op de Zeevaartschool’, zeg ik tegen de oude man. Hij begint een sjekkie te draaien. ‘O ja? Hoe heet hij?’

Weifelend spreek ik de naam van oom M. uit - wat verwacht ik, dat het toeval met ons is en ze elkaar hebben gekend? Maar de oude man legt zijn sjekkie neer en vouwt zijn handen om de rand van de bar alsof hij houvast zoekt. Verbijsterd kijkt hij me aan.

‘Meen je dat nou? Meen je dat nou echt?’

Ik knik beduusd.

‘Jouw oom was mijn beste maat, mijn allerbeste maat. Ik heb nooit meer iets van hem vernomen, en me altijd afgevraagd hoe het hem vergaan is. En nu zit jij hier. Hoe is het mogelijk. Kom, drink er een van me, en vertel me alles. Hoe gaat het met hem?’

Meer over