ColumnPeter Buwalda

Ik zit altijd fris gedoucht in mijn trouwpak te writen, niks te vrezen zou je zeggen

null Beeld

‘Hoi Peter. We staan bij je voor de deur.’

Het is dat Kafka ‘Franz’ heette en geen iPhone had, maar anders begon Het ­proces met deze woorden. Ik schrok me de ‘tandjes’, een eufemisme dat bedacht is om niet de ‘tyfus’ te hoeven zeggen, staat op Onze Taal. Er was al een jaar niemand zomaar voor mij langsgekomen. En eigenlijk nog nooit. Daar zorg ik wel voor, namelijk.

‘Ho-ho’, zegt Jet, ‘je vergeet Dirks en zijn kind Sylvester.’

Klopt, maar die kwamen aangekondigd. Daarover later meer. Als ik plaats overhou. Eerst eens zien wie er eigenlijk voor de deur stonden, dat was me tussen de zwarte vlekken door ontgaan.

En kijk, buiten op straat materialiseerden zich mijn oom en tante. Zij zijn goed volk, sterker, de enigen die ik een dergelijke overrompelingstactiek vergeef, aangezien ik ooit, toen ik studeerde en blut was, een klein jaar bij ze heb ingewoond, hogere gastvrijheid waaruit ik mokkend de volgende vuistregel heb moeten destilleren: zonder afspraak kom je er niet in, dat blijft, behalve als ik een klein jaar bij je heb ingewoond, dan wel langer.

‘Waarom eigenlijk’, wil Jet weten.

Tja, moeilijk te verwoorden, geen praktische bezwaren eigenlijk, hooguit filosofische, want ik zit altijd fris gedoucht in mijn trouwpak te writen, niks te vrezen zou je zeggen. Al sleepte ik nu, vóór ik mijn oom en tante als een bonafide neef ging verwelkomen, nog even de stofzuiger naar de gangkast. Een kwartier ervoor lag onze woonstee nog onder de snippers, overal sliertjes, waardoor het leek alsof we hier een enorme coronaparty hadden aangericht, een clandestien carnavalsbal zonder weerga.

Leg Hans en Reggie, zoals mijn oom en tante heten, maar eens uit dat het allemaal kwam door de heer Broekhoven, alias ‘Boekhoven’, een van mijn dealers op Marktplaats, een man die pronte eerste drukjes verhandelt, maar ze helaas als sinterklaassurprises verpakt. Elke keer weer arriveert er een doos vol snippers, het vriendelijke verzoek de confetti voortaan achterwege te laten is aan dovemansoren gericht, waardoor we vanuit het koetshuis steeds de hele ridderzaal vol franjes lopen. Stop er dan nog liever peperkoek met water bij, Boekmans, zoals wij vroeger in Blerick deden, dat is lachen.

Ook kon ik nog maar net op tijd ‘muziek uit’ tegen Jet sissen. We hadden Dolly Parton aanstaan, en niet zo zachtjes ook, een slijper die The Mystery of the Mystery heet, prachtig lied, maar een beetje tacky als je hem niet ziet aankomen.

‘Wie ziet hier nou wie niet aankomen?’

Daar had Jet een punt, maar toch: Dolly moet je kunnen toelichten. Ze is privé. Je moet haar ‘brengen’. Kwam bij dat ik mijn oom en tante niet lang ervoor geappt had over Roxy Music, ik stuur ze zelden apps, nooit eigenlijk, maar nu had ik een fotootje van zes cd’s van Brian Ferry en z’n progressieve maten gestuurd, ‘ik heb ze eindelijk ontdekt’, schreef ik erbij. Toen ik bij ze inwoonde, vielen de lp’s van juist deze prog-rockers me op in hun platenkast, geen muziek voor meelopers, wat je noemt een acquired taste. Dus als ze me nou even hadden ingeseind, liefst 48 uur van tevoren, per mail of app, dan stond er ‘toevallig’ Virginia Plain op, of iets sfeervols van Brian Eno, ‘dag oom en tante, komen jullie binnen, wacht, dan zet ik de muziek iets zachter’, in plaats van flop, de stekker eruit, weg Dolly.

Jet knikt traag. ‘En Dirks en zijn kind Sylvester?’

‘We zitten vol.’

Meer over