ColumnThomas van Luyn

Ik zie nog liever wazig dan dat geploeter met lenzen en brillen

Beeld Aisha Zeijpveld

Wij hebben een lade waarin honderd leesbrillen zitten van alle oude mensen die er ooit eentje bij ons is vergeten. De laatste tijd, als ik kleine lettertjes moet lezen, haal ik er daar wel eens eentje uit. Mijn vrouw ook. Daar gaan we. Zij heeft voor zichzelf meteen een heel mooie bril gekocht, die haar fantastisch staat. Zo mooi, dat iedereen zegt dat ze ’m altijd op moet houden met gewoon vensterglas bovenin. Maar voor haar is het makkelijk, zij is al mooi.

Ik heb geen brillenhoofd, laat staan een leesbrillenhoofd. Daarom draag ik ook voor de verte geen bril. Ik zou het kunnen gebruiken, maar ik zie gewoon liever wazig.

Lenzen is helemaal geen optie. Ondingen. Handen wassen, dopje van doosje ergens laten, vinger in vloeistof steken, ­vingertop inspecteren of er daadwerkelijk een lens aan is blijven plakken, lens transporteren van de ene vinger naar de andere om de holle kant boven te krijgen, lens van de grond rapen, goed schoonmaken, opnieuw op de juiste vinger zien te krijgen, onderzoeken of-ie nou binnenstebuiten zit of niet, oog tegen zijn wil opentrekken, lens op de naakte oogbol plakken, knipperen, zandkorrel voelen, met je nagel over de oogbol schrapen tot je de lens weer hebt, overnieuw beginnen...

En dat allemaal nog vóór het ontbijt.

Ik vertikte het soms gewoon weken achter elkaar. En dan constateerde ik na een tijdje dat ik de lenzen zo lang had verwaarloosd dat ze waren dood­gegaan. Twee uitgedroogde klontjes siliconen lagen dan in hun kommetjes. Lenzen zijn net planten: als je geen water geeft, verschrompelen ze.

Dan nam ik weer een bril. Maar ik had die lenzen juist genomen omdat ik op brillen altijd ging zitten. Altijd en overal – het is een talent. Overigens waren dat vaak brillen die ik had aangeschaft als ik weer eens mijn lenzen had laten verschrompelen. Het was een vicieuze cirkel die jaren duurde. Dus op een gegeven moment heb ik me laten laseren; geen brillen meer voor deze jongen. Maar nu heb ik ineens een leesbril nodig. Wat dóé ik nog, in deze wereld?

Enfin. Dan wordt het maar een multifocale bril, want de verte wordt ook steeds vager. Bij multifocaal verloopt het glas van boven naar onder van verwegkijkend naar dichtbij­kijkend. Ik heb het geprobeerd, en vind het niks. Ik leun namelijk vrij ver achterover in de auto, en bij een multifocaal kijk ik dan op de weg door het leesgedeelte. En stel nou dat ik iets in de verte wil zien dat zich beneden mijn ooghoogte bevindt, zoals wanneer ik op de rand van een ravijn sta en recht onder me staat een gems op de steile wand, dan moet ik, wil ik door het verweg-gedeelte naar de gems kunnen kijken, zó diep vooroverbuigen dat ik haast een koprol maak, zo het ravijn in.

En stel nou dat ik iets wil lezen wat dichtbij is maar boven me, zoals de spreuken boven de deurtjes van sommige boerderijen in de achterhoek – goed, die heb ik nooit in het echt gezien, maar ik wil een bril die met alle mogelijkheden rekening houdt – dan moet ik helemaal achteroverhangen om door het leesgedeelte omhoog te kijken.

Laat ik eerst nou maar de hele la met leesbrillen gebruiken tot ik op alle brillen ben gaan zitten. Daarna zien we wel weer.

Meer over