Columnpeter middendorp

Ik zag mijn vriendin voor het eerst in vijftien jaar op me afrennen. Hoe verschrikkelijk was het nieuws?

null Beeld

Van het terras van het restaurantje aan het einde van onze straat was ik even naar huis gestuurd, zo’n 200 meter verderop, om wat warms te halen voor mijn vriendin. Toen ik terugliep, een vestje in de hand, zag ik tot mijn schrik dat mijn vriendin op hoge snelheid naar me toe kwam rennen, de armen geheven.

Mijn vriendin wandelt en fietst, maar rennen doet ze nooit. In de vijftien jaar dat ik haar ken, had ik het haar nog nooit zien doen. Het lichaam is het niet meer gewend. Ze rende met lange, gestrekte benen, zonder de knieën op te trekken, de voeten iets te breeduit uitgezet, met meer snelheid in de armen dan in de benen.

Ik keek tegen de zon in, ik kon haar gezicht niet zien, ik zag alleen het silhouet van mijn vriendin, die voor het eerst op me afrende. Wat was er zo belangrijk dat geen twee minuten kon wachten? Hoe verschrikkelijk was het nieuws?

Ik kon maar één ding bedenken: er was iets met onze 10-jarige dochter. Die middag hadden we haar in de buurt van Zwolle afgezet voor een survivalweekend. Op het terrein hadden ze allemaal zeer hoge dingen opgericht, waar de kinderen naar hartelust in konden klimmen en af konden lazeren. Nu is vallen een onderschat onderdeel van de opvoeding – je leert nauwkeurig je grenzen kennen, een vaardigheid die later onherroepelijk van pas komt. Maar je kunt er ook flink mee overdrijven.

Peter!, riep ze, intussen halverwege de straat. Peter!

Ik werd bang, al begreep ik haar niet goed. Want als er een klein ongeluk met onze dochter was gebeurd, brachten ze haar wel naar de Eerste Hulp en was er geen paniek. Als er wel iets ergs was gebeurd, iets belangrijks gebroken – we klopten het even af – was er weer geen haast. Dan ren je ook niet, denk ik, hooguit naar een plek om zelf vanaf te kunnen lazeren. Hoe loop je eigenlijk op elkaar af als er iets met je kind is gebeurd?

Ze kwam dichterbij, ik zette me schrap. Was er soms iets verschrikkelijks met mij aan de hand? Stond ik in brand, zonder het te beseffen? Stond een groot voertuig op het punt van achteren over me heen te rijden, een wals? Viel er een aambeeld uit de lucht, met mijn hoofd als eindbestemming? Een piano misschien?

Wat is er, riep ik, wat is? De zwemvliezen!, riep ze, de zwemvliezen! Ze rende me op haar topsnelheid langzaam voorbij, naar ons huis, waar een bezorger net een paar zwemvliezen kwam brengen, het cadeautje voor een meisje dat de dag erop jarig was.

Het is wonderlijk hoeveel geruststelling er uit kan gaan van een paar plastic zwemvliezen. Ze kwamen in de verkeerde maat en de verkeerde kleur, het meisje had zelf al veel betere, maar ik heb ze toch, toen niemand keek, een klein kusje gegeven.

Meer over