ColumnBert Wagendorp

Ik word door mijn links-progressieve vrienden al veertig jaar in de maling genomen

null Beeld

Gedurende mijn stemgerechtigde leven trokken vijftien kabinetten voorbij. Daarvan waren er tien die onder leiding stonden van een CDA-premier (Van Agt, Lubbers, Balkenende), drie met een VVD-premier (Rutte) en twee met Wim Kok. Daaruit vallen twee conclusies te trekken: Nederland is een overwegend rechts-conservatief land en progressief links is er sinds het kabinet Den Uyl, dat aantrad in 1973, niet meer in geslaagd de status quo te doorbreken – de paarse kabinetten onder Kok waren niet links-progressief maar hard neoliberaal.

Het is een treurige vaststelling, maar als linkse stemmer word ik al meer dan veertig jaar door mijn links-progressieve vrienden in de maling genomen. Ze nemen mijn stem dankbaar in ontvangst, maar verder word ik niet serieus genomen. Ik stem braaf, maar in het gunstigste geval, zo blijkt steevast, heb ik dat gedaan op een bijwagen in het nieuwe kabinet. En nog vaker op een partij die weer vier jaar lang machteloos in de oppositiebankjes zit. Links-progressieve partijen laten zich al decennialang willoos naar de slachtbank leiden. Ze klampen zich angstig vast aan hun principes en idealen en zijn graag bereid daarvoor de werkelijke macht aan rechts te laten.

Vorig jaar bleek dat een fusie tussen PvdA en GroenLinks door de kiezer zo positief zou worden ontvangen dat de nieuwe partij mogelijk de grootste zou worden, het initiatief zou mogen nemen in de formatie én de premier zou leveren. Hoewel er tussen de partijprogramma’s amper verschil was, lukte het toch niet: politieke onwil, nostalgie, zelfoverschatting óf mannetjes die hun positie niet wensten op te geven.

Zondag presenteerde GroenLinksleider Jesse Klaver een nieuwe verkiezingsposter. Daarop stond een vreemd gedicht, dat deed denken aan de ready mades van K. Schippers of Cees Buddingh uit de jaren zestig.

Meer / Lilian / & Lilianne / & Sigrid / & Jesse / Meer GroenLinks

In een essay legde Klaver het gedicht uit. Het was een oproep voor een stembusakkoord met SP, PvdA en D66. Een stembusakkoord betekent dat partijen als één blok de formatie-onderhandelingen ingaan. Het gedicht heette ‘Keerpunt 21’.

Dat was een verwijzing naar het stembusakkoord tussen PvdA, D66 en PPR (een van de voorlopers van GL), ‘Keerpunt 72’ uit, jawel, 1972. Dat was bedoeld om links, na acht kabinetten onder confessionele premiers, weer eens aan de macht te helpen. Dat lukte. Het kabinet-Den Uyl wordt gezien als het meest linkse kabinet uit de Nederlandse historie. En dat terwijl de verkiezingen van 1972 voor links geen onverdeeld succes waren: de drie Keerpuntpartijen behaalden 56 zetels. Alleen in 2002 scoorde links lager. Het stembusakkoord had gewerkt.

Nadat zijn mentor Bram van Ojik Jesse Klaver voor het slapengaan nog eens over het glorieuze linkse wonderjaar 1972 had verteld, sloeg Klaver meteen aan het dichten. Het poëem was overigens een stuk beter geweest zonder de frase ‘Lilian’, want Marijnissen leidt een conservatief-socialistische partij die ik niet graag in een progressief kabinet zou zien.

Hoe dan ook, Klavers uitnodiging werd afgeslagen. De PvdA had toch een paar puntjes gevonden in het programma van D66 die Lilianne Ploumen niet bevielen, en D66 bleek tegen ‘blokvorming vooraf’. Liever verspreid vermoord, dan de idealen verwaterd. Een van de vier progressieve partijen zal straks ter opvulling aanschuiven in een VVD-CDA-kabinet. De andere drie gaan hun wonden likken in de oppositiebankjes, net als de links-progressieve kiezer op zijn driezitter.

Ik moet nog even goed nadenken op welke van de aanstaande losers ik ga stemmen. Maar onverteerbaar blijft het.

Meer over