ColumnThomas van Luyn

Ik wil niet die malloot zijn die met gesloten ogen zichzelf in een trance spartelt

Thomas van Luyn Beeld
Thomas van Luyn
Thomas van Luyn

Komende zaterdag ga ik uit dansen. In da club, zogezegd. Mijn vrienden hebben dat besloten toen ik er niet bij was, en ik bespeur bij mezelf een flinke klodder tegenzin. Niet omdat ik bang ben dat ik slecht dans: in mijn hoofd ben ik onwijs goed. Nee maar echt onwijs. In mijn hoofd dan hè? Of het daarbuiten ook zo is weet ik niet.

Afgezien van koddige dingetjes op tv met humoristisch oogmerk, heb ik mezelf niet meer zien dansen sinds mijn 12de, en dat was voor de spiegel. Toen kreeg ik schoolfeestjes, dus ineens moest ik íéts. Dankzij mijn pianolessen was ik bekend met het begrip ‘maat houden’, en ik begon mijn autodidactische les dan ook met het aanzetten van de metronoom en hardop meetellen: ‘1! 2! 3! 4!’ Daar voegde ik een ritmisch gecoördineerde spreid-sluitbeweging aan toe, en voilà: ik danste op de maat. Op die solide basis heb ik later al mijn moves gebouwd. Met groot succes, mag ik wel zeggen. Nou ja, in mijn hoofd dus. En zolang ik dénk dat ik goed dans, ga ik het niet kapotchecken, want zoals ik hier al eens heb verteld, durf ik niet meer in het zwembad te duiken sinds ik heb teruggezien hoe spectaculair slecht ik dat al die tijd heb gedaan.

Mijn terughoudendheid met het aanstaande clubbezoek komt dus niet voort uit onzekerheid. Het is eerder een kwestie van motivatie. De lol was voorheen altijd van: kijk mij eens, in de hoop dat er ergens een meisje zou denken: ja, kijk hem eens. Dat motiveert. Bovendien stelde dansen mij in staat op onverdachte en niet-creepy wijze bij iemand in de buurt te komen. Niks aan de hand, ik dans toevallig deze kant op, o nou ja zeg, staat zij hier ook, geinig. Als ze me dan de rug toekeerde, kon ik de schijn ophouden dat zij niet de reden van mijn nabijheid was geweest – iets wat bij het aanspreken van iemand (God verhoede) niet kon. Die mogelijkheid om je voor iemand uit te sloven en tegelijk een weg naar eervolle aftocht open te houden, is de hele reden dat de discotheek vijftig jaar geleden is uitgevonden. En daar hebben generaties schuchtere jongens enorme baat bij gehad.

Maar nu ik die aandacht niet meer behoef, voel ik niet meer de noodzaak om mijn stuff across de dansvloer te strutten. En straks heb ineens sjans zeg, dat risico is gezien mijn fenomenale moves niet ondenkbaar. Moet ik een beetje met mijn trouwring gaan wapperen om weg te komen. Hoogst ongemakkelijk allemaal.

Ik zou natuurlijk ook helemaal voor mezelf kunnen dansen, mijn eigen privéfeestje, maar daar pas ik voor. Ik wil niet die malloot zijn die met gesloten ogen zichzelf in een trance spartelt. Niks dan bewondering voor zijn autonomie, maar je denkt wel: doe dat lekker in je eigen keuken met een koptelefoon op.

Ik moet mijn motivatie dus zien te halen uit die vrienden, maar ja, die hoef ik niet te verleiden, die zijn al binnen. Bovendien waarderen zij mij om andere kwaliteiten, zoals mijn hulpvaardigheid wanneer iemand niet op de naam van een acteur kan komen, of mijn ‘dat zei mijn vrouw ook vannacht’ op exact het juiste moment. Daar heb je bij meisjes dan weer helemaal niets aan.

Meer over