Columnmax pam

Ik wil de derde prik wel, zei ik. Schuldgevoel streek als de schaduw van een inktzwarte raaf op mij neer

null Beeld

Laatst was ik op een tuinfeestje van min of meer bekende Nederlanders. Weliswaar hing er geen melancholieke sfeer, zoals in het gedicht Het tuinfeest van Martinus Nijhoff, maar het was er best gezellig. De ‘eenzelvige rebellen’ van Nijhoff liepen hier rond met een biertje of bitterbal in de hand.

Bij de ingang werd gevraagd of wij gevaccineerd waren. Trots trok ik mijn telefoon en toonde mijn QR-code. Twee keer Pfizer. Ik mocht doorlopen. Achterom kijkend probeerde ik vast te stellen of in de rij wachtenden een tweedeling ontstond. Werden principiële weigeraars teruggestuurd en moesten zij nu verder als outcasts door het leven gaan? Maar er waren geen afhakers bij en iedereen liep vrolijk naar binnen.

Al direct stuitte ik op P.C. Hooftprijswinnaar Abram de Swaan. Dat betekende geen smalltalk. Ik ken niemand die het gesprek zo snel op een onderwerp weet te brengen waar ik totaal geen verstand van heb als Bram. Het magische vierkant, de baan van Uranus om de zon, of het eerste parlement der Vikingen op IJsland – ik noem maar wat. Over zulke zaken weet Abram met zijn zoetgevooisde stem altijd snedig te vertellen en ik hang dan aan zijn lippen.

‘Ga jij een derde prik halen?’, vroeg Bram ineens.

Ik begreep dat hij de derde vaccinatie bedoelde, die in Israël al wordt gegeven om ouderen extra te beschermen. Er is sprake van dat je die ook in Nederland zou kunnen krijgen.

‘Ik denk het wel’, antwoordde ik, ‘de kans op corona wil ik zo klein mogelijk houden.’

‘Ik neem hem niet’, zei Bram.

‘Hoe bedoel je? Je bent toch geen antivaxer?’

‘Nee, maar ik vind dat nu eerst de arme landen voorrang moeten krijgen.’

Schuldgevoel streek als de schaduw van een inktzwarte raaf op mij neer. Ook ik had gelezen dat in verschillende arme landen 90 procent van de bevolking de eerste prik nog niet eens heeft ontvangen, terwijl ik hier al over mijn derde zat na te denken.

‘Ik neem hem ook niet’, zei iemand die naast me had meegeluisterd. Het was de stem van Louise Fresco. Ze weet alles van de arme landen en zij is de baas van een universiteit die de Chinezen het liefst in haar geheel naar Shanghai zouden willen verhuizen en dat ook zullen doen, als wij niet oppassen. Tegenover Bram en Louise, deze twee kanonnen, stond ik mij nu te verantwoorden.

‘Eh…’, zei ik, ‘…jullie doen me aan mijn moeder denken. Als ik mijn bord mijn bord niet wilde leeg eten, zei ze: ‘Denk aan de kindertjes in Afrika die honger lijden.’’

‘Precies’, zei Bram, ‘daar had je moeder helemaal gelijk in.’ Mijn herinnering ging terug naar die keer dat ik met een vies gezicht het halflege bord van mij had afgeschoven en mijn moeder brutaal had toegevoegd: ‘Nou, pak maar in en stuur maar naar Afrika.’ Daar had ze even niet van terug en het was maar goed dat mijn vader erom moest lachen. Maar op het tuinfeestje dacht ik ook aan de AstraZeneca-vaccins die in de ijskasten van de Nederlandse artsen lagen te verkommeren, terwijl die om protocollaire redenen niet mochten worden uitgevoerd. Daar is schande van gesproken, maar klaarblijkelijk was er niets tegen te doen. Die vaccins zullen wel vernietigd zijn.

Ik bedacht nog een ander argument. Moet je deze hulp aan arme landen niet vergelijken met de raad die een stewardess geeft wanneer zij aan boord de werking van het gasmasker demonstreert? Als er iets misgaat met het vliegtuig, zegt ze, en een kind zit naast je, dan moet je altijd eerst zelf het masker omdoen en pas daarna het kind helpen. Dat klinkt tegennatuurlijk, maar is wel zo logisch. Van toepassing op de hulp aan arme landen is het helaas een redenering met een koloniale kant, die in de ogen van Sylvana Simons vast geen genade zal vinden.

Toch lijkt het mij bij besmettelijke ziekten legitiem om eerst jezelf te helpen en daarna pas de anderen. Helaas zorgen ook hier antivaxers voor een aanzienlijke en in feite immorele vertraging. Ik hoorde een antivaxer beweren dat je gezonde mensen nooit iets moet inspuiten. Ja, je kunt op een kruispunt ook de verkeerslichten weghalen, omdat er nooit een ongeluk plaatsvindt.

Het was gaan regenen en iedereen rende naar binnen. Ineens stond ik naast Connie Palmen. Ze zag er patent uit. ‘Hé, Connie’, riep ik, ‘hoe is het in de liefde?’

‘Nul’, zei ze, ‘en dat wil ik graag zo houden.’ Daar kon ik mij bij aansluiten en daarna werd het nog heel gezellig.

Meer over