ColumnIbtihal Jadib

Ik wil bij deze de uitvinders en beheerders van ons rioolstelsel hartgrondig bedanken

Beeld Aisha Zeijpveld

Het is lastig kiezen uit het repertoire van Al Green, maar Take me to the river durf ik toch wel mijn favoriet te noemen. De breed grijnzende zanger krijgt me met dat nummer direct aan het hummen en knikken. Onderweg naar onze vakantiebestemming schalde het weer door onze auto en terwijl ik op het stuur driftig de maat mee tikte, kreeg de tekst letterlijke betekenis. We waren namelijk onderweg naar de Allier, een Franse rivier waar we met een groep vrienden een week lang doorheen zouden roeien omdat er kennelijk mensen zijn die dat normaal vinden. Persoonlijk hou ik liever vaste grond onder m’n voeten, maar zo’n stille coronazomer gaat toch vervelen en verder ben ik een groot voorstander van snuffelen aan het onbekende. Dat ik nog nooit had geroeid, zag ik daarom als voordeel.

In de weken voor vertrek liep ik eindeloos van de Decathlon naar Bever en weer terug, want voor een primitief verblijf in de natuur heb je verrassend veel spullen nodig. Zeker met twee kleine kinderen die het niet te warm, koud of nat mogen hebben, een genoegzame voorraad eten en drinken behoeven, anti-heimwee-knuffelbeesten en kussenslopen met zich meeslepen en wanneer er voor de jongste nog een pak Pampers baby-dry mee moet. Toen mijn man en ik eindelijk alles in de auto hadden gepropt, vroeg ik hem nerveus hoe groot zo’n kano eigenlijk is en hoe al die zooi, inclusief wijzelf, er ooit in zou passen. Hij wuifde mijn zorgen weg met de weinig concrete opmerking: ‘Ah, dat komt wel goed joh’. Aangezien het huwelijk in belangrijke mate rust op een merkwaardig soort blind vertrouwen, nam ik zijn woorden ter harte en stapte ik vol goede moed de auto in.

Links en rechts kamperend door Frankrijk kwamen we na een paar dagen aan op de plaats van bestemming, waar het bloedheet bleek te zijn. Die verkoelende rivier was een zegen. Het werd een waterpret van jewelste en terwijl de schilderachtige oevers dagenlang aan ons voorbijtrokken, begreep ik steeds beter waarom mensen zichzelf een back to basics-vakantie aandoen. Het is zó louterend om ’s ochtends uit een tent te kruipen en een stromende rivier in te duiken waar je de vissen voorbij ziet zwemmen. Daar kan geen Fa-reclame tegenop. En er valt verder niet zoveel te doen, in die natuur. Een beetje om je heen kijken en wat aanrommelen met een pannetje voor een kop thee, dat is het wel zo’n beetje. Soms vloog er een dwergarend voorbij, dan zeiden we ‘oooh’ tegen elkaar. En na een paar dagen zoekend rondkijken kwam mijn dochter tot het besluit dat er écht nergens een stopcontact was en ze thuis pas schermtijd kon hebben. Toen ging ze maar steentjes op elkaar stapelen.

De lijnen in ieders gezicht werden zachter en ’s avonds kregen we rond het kampvuur een ukelele in onze handen gedrukt. Het klinkt nog nergens naar, maar ik kan nu zowaar drie akkoorden spelen. Alles bij elkaar was het dus een fabelachtige ervaring. Al heb ik me wel gerealiseerd dat ik in de prehistorie als eerste zou zijn bezweken, want erg handig ben ik niet, in het wild. En de uitzinnige vreugde waarmee ik thuis de toiletpot begroette, was ook veelzeggend. Ik wil bij deze de uitvinders en beheerders van ons rioolstelsel hartgrondig bedanken; jullie bijdrage aan het menselijk gemoed is niet te onderschatten. 

Meer over