columnSylvia Witteman

Ik was jaloers op Kees van Kooten met zijn fijne gezin. Zoals ik ook jaloers was op Jan, Jans en de kinderen

In mijn prille jeugd was Kees van Kooten een grappig mannetje op de tv, maar ik groeide op, en hij groeide uit tot een van de geliefdste schrijvers van Nederland. Van zijn Hedonia alleen al verscheen een eerste druk van 80 duizend exemplaren. Niet slecht voor een ‘opstel’, zoals van Kooten het zelf bescheiden noemde.

Dat was in 1984. Ik was 19 en las alles van hem. Hij was leuk. Zijn gezin was ook leuk. Zijn vrouw was ook nog heel mooi, en zijn kinderen geestig en ontroerend, net als de hond en de poes, ouders en schoonouders, en Kees zelf. En iedereen hield verschrikkelijk veel van elkaar. En Kees was grappig onhandig, met die koffer vol poep die openvalt ‘zodat de oogst van drie dagen Kampeerauto halverwege losbrak en langs de trap de receptie in kolkte’.

Ach, dat zoontje met zijn afgesabbelde pop! Rosebud! En dat vriendinnetje voor wie hij wél van de hoge durft te springen! En die hartverscheurende kindertekening van een spinnenweb! En knappe, bijzondere poes Leen, die vanuit zijn grafje nog een cadeautje stuurt! Ik verslond het allemaal, al leek dat saamhorige, intens liefhebbende gezinsleven in niets op het ouderlijk huis dat ik op mijn 16de was ontvlucht. Of juist daarom; ik was jaloers op die mensen, net zoals ik jaloers was op Jan, Jans en de kinderen. Zo’n leuk, lief gezin!

Afgelopen zomervakantie herlas ik alles, want herlezen is het lekkerste lezen. Nog steeds leuk, maar wel nogal zoet, allemaal. Een tikje ijdel ook. Ja, Kees’ mislukte versierpoging van de Franse rijlerares is vol zelfspot, maar intussen laat hij wel tamelijk opzichtig doorschemeren (hij noemt geloof ik zelfs ergens een aantal) dat hij, ondanks de grote liefde voor zijn eigen vrouw, er ook een heleboel andere heeft gehad. Wat mevrouw Van Kooten daarvan vond, komen we niet te weten. Waarschijnlijk stond ze er groothartig boven, met zo’n spottend Clair Huxtable-lachje.

Ik belandde, na 35 jaar, opnieuw bij Hedonia. Het begint zo: ‘Kees van Kooten stond voor het raam, denk ik hardop; hij stond voor het raam, keek in de nacht en is dronken. Hij had een groot huis, twee gezonde kinderen, vier dito dieren en een knappe vrouw.’ Ja, nu weten we het wel, dacht ik oneerbiedig. Hou eens op met zegeningen tellen. En die bescheidenheid van dat ‘opstel’, was die niet een beetje vals?

Het boek bleek nog steeds fijn. Kees, thuis met zijn kinderen terwijl zijn vrouw in New York Woody Allen interviewt (toen nog van onberispelijke reputatie), krijgt onverwacht bezoek van zijn jeugdvriend Frans F., een dikke, cynische, misogyne, cokesnuivende pornoverslindende reclamebureauklootzak die niet eens weet hoe oud zijn eigen kinderen zijn en neerbuigend praat over zijn ex. 

‘En hem steeds maar weer in datzelfde gat proppen, boert Frans, zijn afgekloven satéstokje doormidden brekend. Als je daar even bij stilstaat dan ga ik stante pede over mijn nek. Dat kreeg ik op het laatst steeds vaker, met Elseline. Of zit jij daar niet mee?

– Nooit! zeg ik, niet in het minst! De echte wellust laat zich juist uit de gewoonte peuren, maar ik doe even de deur dicht, als je het goed vindt. Binnen kijken de kinderen naar Zeg ’ns Aaa.’

Dat is nogal wat, een jeugdvriend zo genadeloos van je afschrijven. Ik vond het indertijd zielig, voor die Frans, want ik was nog jong. Later dacht ik: die Frans bestaat natuurlijk niet echt. Frans ís Kees. Zijn zwarte kant. Maar inmiddels weet ik het niet meer. Heeft Kees nou wel of niet een zwarte kant? Heel verwarrend, op vakantie. Volgende keer een stapel Jan, Jans en de kinderen mee.

Meer over