Ik voel nog de sensatie van die julinacht in '69

Apollo 11-bemanning Neil Armstrong (links), Michael Collins (midden) en Buzz Aldrin.

Tachtig jaar oud inmiddels, verhaalt Neil Armstrong nog altijd vanaf allerlei congrespodia in de wereld vol zelfspot over zijn unieke en riskante avonturen als testpiloot en astronaut in de vroege jaren van de ruimtevaart. Zoals over zijn Gemini-missie, onderdeel van het voorbereidende project op de Apollo-ruimtevluchten naar de maan.


‘De Gemini was de eerste ruimtecapsule met een computer aan boord, eentje met een zeer beperkt geheugen’, vertelde Armstrong half november tijdens een bijna drie kwartier durende lezing in Den Haag. ‘De Gemini kon navigeren. Voor die tijd keken astronauten gewoon uit het raam om vast te stellen waar ze waren. Zo van: dat daar moet Australië zijn.’


Bij terugkeer in de dampkring was het voor elke Gemini-piloot een prestigekwestie om zijn capsule op de optimale plek in zee te laten plonzen. Dat optimum lag altijd in de onmiddellijke nabijheid van het Amerikaanse marineschip dat in een van de wereldzeeën lag te wachten om de Gemini-astronauten op te pikken.


‘Mijn schip lag in de Cariben’, vertelde Armstrong. ‘Ik landde bij Okinawa. Zo ver uit de buurt van de beoogde landingslocatie was nog nooit iemand terechtgekomen. Het is nog altijd een afstandsrecord.’


Armstrong was even in Nederland, als belangrijkste gastspreker op de wetenschaps- en technologiebeurs Meet the Future in het World Forum Den Haag. Hij was kwiek. Hij was scherp. Hij was humoristisch.


Vlot kwam hij het podium op. Hij strekte beide armen en maakte ter begroeting een huppeltje voor zijn enthousiaste publiek. Alsof hij wilde zeggen: zo ongeveer bewoog ik mij juli 1969 over het maanoppervlak.


Als kind, opgroeiend in de jaren zestig, was Neil Armstrong mijn grote held. Al op zeer vroege leeftijd raakte ik volkomen in de ban van de ruimtevaart. Dat had ongetwijfeld te maken met het enthousiasme van de aanjager van de Apollo-missies, president John F. Kennedy, als ook met de deskundigheid waarmee tv-presentator Henk Terlingen de logistiek van die ruimtereizen voor mij uitlegde.


Ik verzamelde plaatjes van de Apollo-missies en had op mijn jongenskamer mijn eigen door Wernher von Braun ontworpen Saturnus V-raket nagebouwd. Op schaal uiteraard, want de raket was in werkelijkheid even groot als de Domtoren van Utrecht. Buurtgenoten moeten mij geregeld hebben zien rondstappen in een astronautenpak dat ik zelf had gemaakt van lege kartonnen dozen uit het magazijn van mijn vader.


De vroege fascinatie voor de ruimtevaart en de kosmos heeft mij nooit meer verlaten. Ik ben geen bètaman, dus mijn lang gedroomde carrière als astronaut zat er helaas niet in. Maar als Amerika-correspondent mocht ik op uitnodiging van ruimtevaartorganisatie NASA wel op de lanceerbasis Cape Canaveral in Florida van nabij getuige zijn hoe in het holst van de nacht een Space Shuttle de ruimte in geschoten werd. Die lancering, die ik in mijn voeten, benen en buik kon voelen doordreunen, was een ervaring voor het leven.


Neil Armstrong zien in real life is ook geen kleine belevenis, merkte ik in het World Forum Den Haag. Hoe vaak hoor je iemand in een congreszaal beschrijven hoe hij, staand in de Sea of Tranquility, onze eigen planeet als een paarsblauwe bal onder een hoek van 23 graden in de gitzwarte sterrenhemel zag? Dichterbij de maan kunnen wij, gewone stervelingen, niet komen.


Een van de wetenschappelijke doelen van de Apollo 11-missie, was het faciliteren van een permanente berekening van de precieze afstand tussen Aarde en Maan. Het was de taak van Armstrong en de tweede maanwandelaar in de geschiedenis, Buzz Aldrin, om op het maanoppervlak een spiegel te installeren, feitelijk een combinatie van een groot aantal kleine spiegeltjes. Vanaf de aarde zou vervolgens een laserstraal worden afgevuurd op de maan. De spiegel zou die lichtstraal terugkaatsen naar de aarde. De tijd die het licht nodig had om zich te verplaatsen van de aarde naar de maan en terug, zou ons exact vertellen wat de afstand was tussen beide hemellichamen.


De installatie van de spiegel op de maan, als ook de projectie en reflectie van de laserstraal vereiste grote nauwkeurigheid. ‘Alsof je over een afstand van drie kilometer met een geweer op een muntje moet schieten’, zei Armstrong ter illustratie. ‘Toen ik ze vanaf mijn plek op de maan liet weten dat de spiegel geïnstalleerd was, begonnen ze meteen te schijnen met die laser. Ze hadden mij wel even mogen waarschuwen’, grapte hij.


Aanvankelijk kwam de lichtstraal niet terug naar de aarde. Wat ze ook probeerden, het lukte niet. Na een reeks mislukte pogingen ontdekten de betrokken wetenschappers dat zij hun calculaties baseerden op een onnauwkeurige geografische ligging van de locatie van waaruit de laserstraal werd afgevuurd. Armstrong: ‘Dus het eerste echte probleem bij dit onderdeel van onze maanmissie was het vaststellen van de precieze locatie van Mount Hamilton op Aarde.’


Dankzij de Apollo 11-missie kan ook vandaag nog de exacte afstand tussen Aarde en Maan worden berekend. Dat is relevant, want beide hemellichamen bewegen zich heel langzaam van elkaar af. De afstand tussen Aarde en Maan wordt elk jaar bijna 4 centimeter groter.


Ik herinner mij Armstrongs eerste stappen op de maan in die historische julinacht van 1969 nog als de dag van gisteren. Mijn ouders maakten mij middenin de nacht wakker. Zij beseften dat hun bijna tienjarige zoon live getuige moest zijn van deze ongekende gebeurtenis. De eerste mens ging voet zetten op een ander hemellichaam dan de aarde. Inderdaad, zoiets gebeurt maar één keer.


Dat mijn ouders toen niet op de gedachte kwamen om mij door te laten slapen, vanuit gezondheidsoogpunt of ander pedagogisch verantwoord advies, is iets waarvoor ik ze tot op de dag van vandaag dankbaar ben. Ik weet nog goed hoe ik in pyjama voor ons draagbare zwart/wit tv-toestel kroop en de sensatie voelde van dat historische moment.


Het kleine, storingsgevoelige tv-toestel in ons zomerhuisje aan het Zuidlaardermeer liet ons die nacht niet in de steek. Samen met mijn ouders wachtte ik gespannen het moment af waarop mijn held Neil Armstrong van de ladder van de maanlander zou afdalen naar de stoffige bodem van de maan.


`That's one small step for a man, one giant leap for mankind.’


Armstrong heeft talloze malen de vraag moeten beantwoorden of hij tevoren had nagedacht over die woorden, die hij op het moment suprême uitsprak. ‘Volgens de berekeningen had ik 50 procent kans dat de afdaling met de maanlander goed zou aflopen’, zei Armstrong in Den Haag. `Bij zo’n gering slagingspercentage wilde ik niet teveel tijd besteden aan wat ik op het moment suprême zou gaan zeggen.’


Typisch het antwoord van een technicus, begreep ik uit zijn betoog. Een technicus verstaat onder ‘beter’ hetzelfde als ‘efficiënter’, doceerde Armstrong, die ruimtevaarttechniek studeerde aan de Purdue Universiteit in Indiana. ‘Een optimist zegt dat het glas halfvol is, een pessimist dat het halfleeg is. Een technicus zegt dat het glas twee keer groter is dan noodzakelijk.’


Uitvindingen laten zich slecht voorspellen, luidde zijn boodschap in het World Forum, dus verlies nooit de hoop op een wetenschappelijke doorbraak. Tien jaar voor de eerste menselijke vlucht, die van de broers-Wright, verklaarden wetenschappers van naam met grote stelligheid dat de mens nooit zou vliegen, memoreerde hij. ‘Op 27-jarige leeftijd vloog ik in een testvliegtuig dat werd voortgestuwd door een raketmotor. Toen veronderstelde ik nog dat ik tijdens mijn leven geen getuige zou zijn van bemande ruimtevluchten.’


De hoogste graad van erkenning voor een bètawetenschapper is een naar hem of haar genoemde wet uit de natuur, zei Armstrong. Hij noemde Newton (wet van de zwaartekracht) als voorbeeld.

Daartegenover staat dat er voor een bètawetenschapper geen grotere schande is dan een bewezen miskleun, zei hij. `Zo bestond er in de aanloop naar onze maanmissie een theorie dat het oppervlak van de maan poreus was. De bodem zou, qua substantie de massa hebben van katoenbollen. De maanlander zou er diep in wegzakken, luidde de voorspelling, en niemand zou ooit nog iets van de bemanning terughoren.´


Kijk wat de recente geschiedenis voor een lange reeks onaangekondigde uitvindingen voortbracht, vervolgde hij opgetogen: bemande ruimtevaart, televisie, computer, internet, dna, atoomenergie. `Niets daarvan werd voorspeld. Het zijn de resultaten van menselijke creativiteit, in combinatie met een zich eindeloos repeterend proces van proberen, fouten maken en opnieuw proberen.’


Er flitsten bij die woorden beelden door mijn hoofd van een jongere Neil Armstrong die bijna verongelukte tijdens een testvlucht met een prototype van de Lunar-module, de maanlander. Ik keek naar zijn verouderde gezicht, dat onverminderd de olijke trekken had van de held uit mijn jeugd, en dacht terug hoe ik als jongen, tijdens achtereenvolgende Apollo-missies, ’s avonds oneindig lang tuurde door mijn sterrenkijker naar de hel verlichte maan met zijn vele kraters. Ik weet nog exact wat ik daarbij dacht: ‘Dáár lopen ze nu.’

Steevast dacht ik dan ook even aan hun maatje, die op dat moment eenzaam in de commando-module zijn baantjes maakte rond de maan. Ik vond het nogal heftig dat hij aan de donkere achterzijde van de maan alle contact met de aarde tijdelijk kwijt was. Ook hij zat daar vast en zeker in spanning, dacht ik, hopend op de behouden terugkeer van zijn beide teamgenoten, die ergens onder hem maanstenen aan het verzamelen waren.


Als ik nu opkijk naar de maan, denk ik nog heel vaak: `Dáár liepen ze toen.´ Het blijft ruim vier decennia na die historische eerste voetafdruk van Neil Armstrong onverminderd een fascinerende gedachte.


Meer over