ColumnEva Posthuma de Boer

Ik vind dat ik niet te veel moet vinden

Nadat mijn vader vorig jaar was getroffen door een herseninfarct, richtte hij het Genootschap voor Niet Klagende Mannen op. Door het infarct was de lijst van PHPD’s (pijntje hier pijntje daar) die hij tot dan toe stilletjes had aanvaard, weliswaar langer geworden en kreeg hij een aantal serieuze klachten, klagen deed hij dus niet. Dat hij het genootschap oprichtte verbaasde overigens niemand, Eddy is nogal van het verenigen. Zo begon hij decennia geleden de Club van Mensen met een Gezicht van Niks – niet mooi, niet lelijk, niks. De ledenlijst heeft hij uit discretie nooit prijsgegeven, het waren verbonden tussen hem en andere mensen met een gezicht van niks. De meeste van hen zijn inmiddels kassiewijle, maar mijn vader staat, ietwat krom, nog immer fier overeind. Altijd zin in de dag, blijmoedig aan het werk, handenwrijvend aan zijn borreltje. Ook nu, in deze coronatijd, horen we hem niet knorren. Hij blijft binnen en maakt zich niet te sappel. Het gaat wel weer voorbij. Rustig aan. We maken er wat van. Ik bel veel met hem, om hem dat soort dingen te horen zeggen, hoewel ik hem evengoed zonder telefoon hoor. Dat heb je nu eenmaal met de stemmen van je ouders, die nestelen zich in je.

Zelfportret ‘Trompe l’oeil’, 1982.Beeld Eddy Posthuma de Boer

Mogelijk komt het door de stem van mijn vader dat ik vind dat ik niet te veel moet vinden, mijn mening moet indammen. Want in zuurpruimerij en gifspuwerij schuilt geklaag. Verzin het en je kunt erop spugen: gasten in talkshows, presentatrices met zekere kapsels, zingende BN’ers, zuigende twitteraars, knettergeschifte politici, miepende bloggers. Soms brand ik per ongeluk even los, en heb ik onmiddellijk spijt. Het staat zo lelijk, dat kotsen op anderen. Ik heb even overwogen medestanders te zoeken en de Club voor Mensen Zonder Mening op te richten. Ik doe het niet. Ik wil mijn mening namelijk wel vrijelijk kunnen spuien over dingen die ik mooi vind. Of belangrijk. Als kind van de aanvoerder van het Genootschap voor Niet Klagende Mannen, benadruk ik nu eenmaal graag het positieve. 

Dat Rutte een minister van een andere partij dan zijn eigen naar voren schoof om deze crisis te bevechten, vind ik getuigen van gezond verstand en geeft mij vertrouwen. Dat hij de wetenschap als leidraad neemt voor zijn beslissingen ook. Over zijn partij heb ik ab-so-luut geen mening, maar de man doet het goed, voor ons land. Vind ik. Dat we allemaal op onszelf zijn, en ons toch verbonden voelen. Vind ik ontroerend. Dat we even echt waarderen wat we hebben. Beseffen wat vrijheid betekent. Ons voornemen voorzichtiger met de wereld om te springen als dit voorbij is. Vind ik allemaal hoopvol. Zo ook dat we willen geloven dat de mens kan veranderen, gesteund door deze oneliner die rondwaart op internet: ‘Wie beweert dat een mens niet in zijn eentje de wereld kan veranderen, heeft nog nooit een halfrauwe vleermuis gegeten.’

Meer over