columneva hoeke

Ik stelde me voor: zo’n Afghaanse spekkebips met het bloemenjurkje van mijn dochter

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld

Het moment kwam toch weer sneller dan gedacht.

De kleinste maatjes waar ze was uitgegroeid, in verbazing liet ik ze door mijn handen gaan. Het bloemmotief van het eerste rompertje, de gebreide mini-jurk waarin ze zo op haar zusters leek, o, mijn hart. Maar dit keer gingen ze niet terug naar zolder.

En dus reed ik die middag met een volle tas richting de oude Meneba-meelfabriek aan de rafelrand van Wormerveer, naar de Kinderkleding- en speelgoedbank van Joyce Jansen (44). Ik kende haar verhaal uit de lokale krant. Alleenstaande moeder, zes kinderen, de oudste 22, de jongste vier. Altijd gewerkt, na een verbrijzelde hiel niet meer. Toen de vader van haar jongste kind haar tijdens de zwangerschap verliet en zo in rauwe armoede stortte, 100 euro per week, de tranen zaten nog altijd hoog, deed ze mee aan het SBS6-programma Paleis voor een prikkie. Daarna, zichzelf herpakkend in haar gepimpte woonkamer, dacht ze: wat kan ík nu eens betekenen voor de samenleving? Het antwoord lag her en der door de kamer verspreid: een kinderkleding- en speelgoedbank, ja natuurlijk.

Nu, twee jaar later, was die ingeving volledig uit de klauwen gelopen, zag ik toen ik met Frida op de ene en de tas op de andere arm binnenkwam. In het kantoor waar ooit de loonzakjes werden uitgedeeld aan de arbeiders van de meelfabriek stond het nu vol met kinderspullen, overal kinderspullen, stapels hoog en kamerbreed. Te midden van de dingen stond Joyce, in makkelijk zwart, haar in staart, blik Monster Energy Drink op tafel, het hoofd omhoog en de schouders eronder. ‘Dank je wel’, zei ze toen ik haar mijn tas overhandigde, die hier ineens niet meer zo groot leek.

We keken rond.

Ja, de zaken gingen inderdaad goed, vooral tijdens corona was het met bakken tegelijk binnengekomen. Ze trok een willekeurige verhuisdoos open, haalde er een jasje uit. ‘Moet je zien. Hier hangt het prijskaartje nog aan.’

Nee, daar lag het niet aan. En ook niet aan het concept, want iedereen mocht hier gratis spullen komen halen, grátis, dat had je niet eens bij de kringloop. Maar de minima, voor wie deze kleding- en speelgoedbank nou net was bedoeld, die wisten Joyce op de een of andere manier niet te vinden. ‘De locatie helpt natuurlijk ook niet’, zei ze met een zucht. ‘Je kunt hier niet komen met het openbaar vervoer. En niet iedereen heeft een auto.’ Ze keek naar haar zoontje Keanu, die een stukje verderop zat te spelen. ‘Heel toevallig was hier gister een stel uit Syrië. Zij was zwanger, dus die waren door de verloskundige doorgestuurd. Dat moeten we hebben, want die mensen hebben niks.’

Ik dacht aan Afghanistan, aan die paar mensen die het onze regering was gelukt wél mee te nemen, en aan de povere omstandigheden waarin ze verkeerden sinds hun overhaaste vertrek. Een jurk en een broek, britsen en gaarkeukens, de angst om de achterblijvers, het onophoudelijk geschuifel door de gangen. Ik had die hele handel natuurlijk gewoon naar Harskamp moeten brengen, schoot het door me heen, dat ik daar niet aan had gedacht, díé mensen hadden niks, minder dan niks, met hen vergeleken waren minima luxepoezen. En dan het idee van zo’n Afghaanse spekkebips in Frida’s kleding, het gebloembreide jurkje als een schild om zich heen, dit kind, zich van geen kwaad bewust, laat staan van de Taliban, o, mijn hart. Maar nu was het te laat, ik kon mijn tas moeilijk terugvragen, kijk, daar liep een vrijwilliger er al mee heen.

We namen afscheid met de belofte dat ik een stukje zou tikken, je wist maar nooit hoe een koe een haas vangt. Toen ik wegliep zag ik nog net hoe Frida’s jurkje op een grote stapel belandde.

Ik bedwong me.

Meer over