COLUMNPeter Middendorp

‘Ik?’, riep ik, een hand op mijn borst. ‘Voordringen op zieken en zwakken?’

null Beeld

Omdat ik de dokter toch aan de lijn had, vroeg ik haar gelijk maar even of ik, gezien mijn officiële status als bangerik, niet kon worden toegevoegd aan de groep mensen die vanwege medische indicaties eerder wordt gevaccineerd dan de grote rest. De dokter wachtte even en zei toen: ‘Heb jij een angststoornis dan?’

‘Nou ja’, zei ik, alweer een beetje verontwaardigd. ‘Dat zei je zelf, een paar jaar geleden. De laatste keer dat we elkaar spraken, verzocht je me of ik als een voorbeeld van iemand met een angststoornis naast jou op een podium wilde gaan zitten om vragen te beantwoorden van studenten en artsen, nadat jij eerst een praatje had gehouden over wat mensen zoals ik allemaal mankeert.’

‘Ging dat niet over angst in het algemeen?’, zei ze. ‘Want volgens mij heb jij geen angststoornis, hoor, ik vind er ook niets van terug.’ Ik hoorde haar tikken op een toetsenbord. Misschien doorzocht ze mijn medische dossier, misschien voegde ze daar in de gauwigheid wat nieuwe observaties aan toe. ‘Ik zeg het maar even zoals het in me opkomt’, zei ze, ‘maar weet je zeker dat je niet probeert voor te kruipen?’

‘Ik?’, riep ik, een hand op mijn borst. ‘Voordringen op zieken en zwakken? De meest kwetsbaren wegduwen bij de toegang naar de vaccinaties? Ik kruip niet voor, nooit, ik maak geen misbruik van mijn zwaktes.’ Hoewel ik moest toegeven dat mijn gevoel voor solidariteit het laatste jaar wat is afgevlakt. Het deel van de bevolking dat zich nog steeds niet aan coronaregels houdt, vertegenwoordigt voor mij een stuk minder waarde dan in de tijd dat solidariteit nog een theoretische kwestie leek.

‘Nee, nee’, zei ze. ‘Je hebt geen angststoornis – niet alle angsthazen zijn gestoord.’

‘Nou, ik wel dokter’, zei ik, want haar woorden verrasten me. ‘Ik kom toch niet zelf met die diagnose aanzetten? Of heb ik alleen maar een angststoornis als jij er wat aan hebt?’

Ze zuchtte. Misschien lag het aan mij, maar ik hoorde van alles in die zucht, vooral vermoeidheid, ongeduld en verdachtmaking. ‘Ik vroeg me alleen af of het telde, zo’n stoornis, als medische indicatie. Ik bedoel: Nee heb je. Stel dat het telt, dan zou ik toch een enorme dommerik zijn als ik dat niet bij je had gecheckt?’

‘Het telt niet’, zei ze. ‘Al was het zo. Er is niets dat er op wijst dat je snel op de ic zult belanden, mocht je besmet raken.’ Ik haalde adem en zei toen grootmoedig: ‘Dacht ik al. Had ik al verwacht. Goed. Never mind. Dan wachten we de Apocalyps verder gewoon rustig af, zonder vroege prik.’ Ergens was het goed te weten dat ik met geen mogelijkheid tot de risicogroep kon worden gerekend, al wilde ik kennelijk nog zo graag.

Ik bedankte de dokter en verbrak de verbinding. Het leek wel alsof het goed zou komen met mij. De gedachte was even wennen.

Meer over