Columneva hoeke

Ik leerde de Man kennen toen hij nog niet beroemd was. Een leuke tijd

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Op het moment dat u dit leest is het alweer voorbij, maar de afgelopen weken presenteerde de Man met een van zijn beste vrienden een televisieprogramma. Op televisie. Over televisie. Daarmee was het hier in huis ineens een paar weken heel veel televisie.

Op zondag zou hij het programma presenteren, wat betekende dat hij niet alleen die dag weg was, maar ook de hele zaterdag, ter voorbereiding, en maandag, voor de nabespreking, en donderdag, want dan werd er vergaderd met andere mensen van televisie. Tussendoor moest er privé dan ook nog veel televisie gekeken worden, thuis dus, waar ik ook woon. Gelukkig mocht ik wel meekijken, als ik er maar niet steeds doorheen sprak.

‘Ik vind het wel wat veel’, zei ik nog.

Hij: ‘Dat líjkt veel.’

Ik leerde de Man kennen toen hij nog niet beroemd was.

Toen keken we ook weleens naar de televisie, maar dat was toen nog heel ongedwongen. Als we geen zin meer hadden, zetten we ’m gewoon uit.

Ik vond dat een leuke tijd.

Maar die tijd was nu voorbij.

Alleen al de aanloop naar zijn beroemdheid kostte hem veel energie. Hij moest veel rust hebben, zei hij. En geen stress. Dat ging maar moeilijk, met twee kinderen die hem in de weg liepen en een vrouw die hem opdrachten gaf. Verder wilde hij nog even zes kilo afvallen in één week, want hij had zichzelf bij wijze van test op beeld gezien. Eén keer stond hij na de maaltijd – sperziebonen met kip en rijst – ongebruikelijk lang te dralen bij het aanrecht. ‘Eva’, klonk het ineens paniekerig. ‘Ik voel mijn benen niet meer.’

Toen zijn slaapbeen weer was verdwenen ging hij naar zolder, nog even wat voorbereiden.

De dag van de opnamen kwam. ‘Hoe staat dit?’, vroeg hij me. Hij had zijn zwarte broek aan, met zijn zwarte overhemd en zijn zwart-fluwelen jasje. ‘Goed’, zei ik.

‘Vanavond krijg ik een roze pak aan’, zei hij somber.

‘Roze?’, zei ik zo neutraal mogelijk, want ik had inmiddels geleerd niet extra olie op het vuur te gooien. ‘Ja, dat heeft de stylist uitgezocht. Op mijn eigen verzoek: ik had gevraagd om kleur.’ Hij zweeg even. Daarna: ‘Ik dacht toen meer aan bruin.’

De eerste aflevering kwam eindelijk op televisie, we keken hem samen op de bank. Ik met een zweetlip, hij vanuit zijn trui. Evalueren mocht, maar niet meteen en ook niet te nadrukkelijk. Na afloop belde hij met zijn televisievriend, om te overleggen hoe het was gegaan. Ik appte ondertussen met zijn vrouw. Toen de Man terugkwam uit de keuken zei hij: ‘Als alles achter de rug is, gaan we kaasfonduen.’ Die nacht kon hij slecht slapen. ‘Toch de spanning’, zeiden we tegen elkaar. ‘Wordt vanzelf minder.’ Maar na de tweede keer sliep hij ook slecht. ‘Maakt niet uit’, vermande hij zich de volgende dag nadat hij er een half uur over had gepraat. ‘Ik dacht vannacht: als alles misgaat heb ik altijd jullie nog.’

Schitterend hoe wij, zijn gezin, inmiddels de troostprijs in zijn leven waren geworden.

Op zondag sliep hij voortaan beneden op de bank, om zichzelf te verwerken.

Dat lukte steeds beter. Ineens strooide hij routineus met termen die hij een week eerder zelf ook nog niet kende. Ga je het nog over De rijdende rechter hebben, vroeg ik dan bijvoorbeeld. Antwoordde hij: ‘Ja, als meelees.’

De rust is inmiddels teruggekeerd, alle vijf afleveringen zijn op televisie geweest en op zaterdagavond eet hij weer gewoon ribbelchips. Voorlopig dan, want gister kwam hij ineens vrolijk thuis. ‘Ik heb nieuws: het programma komt terug. Leuk toch?’

Meer over