ColumnIbtihal Jadib

Ik hoef niet betutteld te worden met omslachtige termen, vraag mij maar op de man af waar ik vandaan kom

Ibtihal Jadib Beeld Aisha Zeijpveld
Ibtihal JadibBeeld Aisha Zeijpveld
Ibtihal Jadib

Een vriendin van me zat met een moeilijke vraag. Mijn ondeugende geest dacht meteen aan smeuïge avonturen en meeslepende gevoelskwesties, maar ze bleek mijn advies te willen over sociale etiquette: ‘Hoe kan ik iemand vragen naar zijn of haar achtergrond zonder diegene te kwetsen? Soms ben ik gewoon oprecht nieuwsgierig, maar je mag niet meer vragen naar iemands afkomst.’ Dat bleek haar te zijn wijsgemaakt door een collega van de afdeling ‘diversiteit en inclusiviteit’.

Nu ben ik niet de meest aangewezen persoon om fijngevoelige omgangsvormen te toetsen; ik ben weinig diplomatiek en bovendien allergisch voor weekhartig geklaag. Maar aangezien ik een allochtoon ben, pardon: een persoon met een migratieachtergrond, word ik wel vaker gevraagd naar de ‘juiste’ manier om buitenlanders, pardon: medelanders, te benaderen.

Ik ben een kind van de jaren tachtig en kom uit een redelijk standaard gastarbeidersnest. Opgroeiend in een Hollands tulpendorp hadden mijn oudere zus en ik geregeld de primeur; dan waren we op school of werk weer de enige Marokkanen. Pardon: Nederlanders met pluizige krullen. Vielen we op? Jazeker. Kregen we weleens een irritante vraag? Vaak genoeg. Was dat verder een probleem? Nee, totaal niet. Als ik iets raars deed, zoals appelsap bestellen in plaats van bier, ging het gesprek na een kort schouderophalen weer verder. Misschien heb ik geluk gehad met ons liefelijke dorpje en was het anders geweest als we waren opgegroeid in een achterstandswijk, of misschien hielp het dat we beleefde meisjes waren in plaats van puberende scooterknapen. Ik durf het u niet te zeggen.

Het tijdperk van primeurs ligt in elk geval ver achter ons; op universiteiten wemelt het van de etniciteiten en ieder zichzelf respecterend bedrijf heeft een ‘diversity officer’ in dienst. Gek genoeg lijkt dit de onderlinge omgang niet veel soepeler te hebben gemaakt, nu we kennelijk niet eens meer mogen informeren naar iemands afkomst.

Een oprechte vraag die wordt gesteld vanuit interesse in de ander zou geen kwetsuren moeten opleveren. Als dat wel het geval is, heeft dat meer te maken met persoonlijke worstelingen van de gekwetste dan met de vraagsteller. Ik hoef niet betutteld te worden met omslachtige termen, u mag mij op de man af vragen waar ik vandaan kom en als ik op een nare manier word bejegend, kunt u ervan op aan dat ik prima voor mezelf kan opkomen.

Misschien moeten we massaal weerbaarheidstrainingen gaan organiseren. Of lachcursussen, de boel weer wat lucht geven. Al kan dat laatste trouwens ook pijnlijk uitpakken. De meest ongepaste vraag die ik ooit heb gekregen, zat niet in de discriminatiehoek maar was evenwel afkomstig van een oudere witte man, die me zomaar op een goede dag vroeg of ik zijn bijslaap wilde zijn. Ik keek mijn toenmalige baas een paar tellen beduusd aan voor ik losbarstte in een onbedaarlijke lachstuip. Gierend liep ik naar het bureau van een collega om te vragen of zíj toevallig nog zin had om de bijslaap te worden van een oude getrouwde vent bij wie we in loondienst waren. We moesten elkaar vasthouden om niet om te vallen. Pas toen we waren uitgebulderd, realiseerden we ons dat de arme man met de staart tussen de benen was weggevlucht. Faliekant uitgelachen. Zoals gezegd: weinig diplomatiek.

Meer over