GastcolumnLiesje Schreuders

Ik hoef geen vlees te eten, maar het ook niet te laten staan om mijn sociale, godgelijke status te bewijzen

De ‘diervriendelijke slager’ was ooit een uitkomst bij aanvallen van medelijden met varkens voor gastcolumnist Liesje Schreuders. Maar kan dat nog wel?

Varkens op een biologische varkenshouderij in Raalte.  Beeld Marcel van den Bergh /de Volkskrant
Varkens op een biologische varkenshouderij in Raalte.Beeld Marcel van den Bergh /de Volkskrant

Toen ik een jaar of 10 was, zag ik een documentaire over de bio-industrie. De bio-industrie voorziet de wereldbevolking van goedkope proteïnen in de vorm van zo efficiënt mogelijk geproduceerd vlees. Efficiënt betekent: met een zo hoog mogelijk rendement, in dit geval dus een zo groot mogelijke vleesopbrengst tegen zo laag mogelijke kosten.

Maar efficiëntie is een mythe, weten we inmiddels, want de bio-industrie put de bodem uit, verzuurt de lucht, maakt het vlees minder voedzaam en zadelt vleeseters op met een moreel dilemma. Uiteindelijk kost het de volgende generaties meer, in plaats van minder hoofdbrekens.

In Nederland werd de intensieve veehouderij vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw opgetuigd met behulp van Amerikaanse middelen (de Marshallhulp). Sindsdien kennen we legbatterijen, kistkalveren, megastallen et cetera.

Varkens

In de documentaire die ik eind jaren tachtig zag, ging het specifiek over varkens. De varkens waren, volgens de documentaire, de grootste slachtoffers van de bio-industrie, die dieren tot industriële producten, dus dingen, reduceert. Want varkens zijn intelligente dieren bij uitstek en intelligente dieren zou je niet als dingen moeten behandelen – maar wat betekent intelligentie eigenlijk?

Het betekent dat varkens cognitieve vaardigheden hebben die te vergelijken zijn met die van mensenkinderen van 4 jaar, zegt de Stichting Varkens in Nood. Als je een varken eet, eet je dus een kind van 4 in (cognitieve) varkensvorm.

Als 10-jarige identificeerde ik me niet alleen met de zielige, mishandelde varkens, ik wilde ze ook helpen door hun vlees niet te eten. Gelukkig bestond er in die tijd in Amsterdam één slager die zich ‘diervriendelijk’ noemde – nu is het een van de vele biologische slagers van het land – waar mijn meedenkende moeder voortaan ons vlees kocht.

Zij beredeneerde dat het zogenaamde ‘diervriendelijke vlees’ van de ‘diervriendelijke slager’ veel duurder was dan supermarktvlees, maar evenredig lekkerder. Uit principe vond ze dat er met mijn principes rekening moest worden gehouden. Ze was bovendien bang dat als ze er niet aan zou toegeven, die principes zouden radicaliseren tot vegetarisme.

Dier doden

Tegenwoordig zie je overal door de stad stickers met de tekst ‘diervriendelijk vlees bestaat niet’. De gedachte daarachter is, dat je voor vlees een dier moet doden en dat doden geen daad van vriendelijkheid is. Een primitieve gedachte, daarom niet helemaal onjuist. Maar ook niet helemaal juist; zoals Bob Dylan al zei, ‘You can kill some one with kindness too’ – en dat geldt ook voor dieren.

Aan de andere kant zijn wij, mensen, natuurlijk óók dieren, vanuit biologisch oogpunt. Misschien speciale dieren, al zou ik eigenlijk niet weten waarom. Wat zou ons tot uitzonderingen maken, ten opzichte van andere dieren? Onze oneetbaarheid? Onze moraal?

Volgens sommige dierenliefhebbers ontbreekt het de mensen juist aan moraal. Dat zijn dierenbeschermers die niet zozeer van dieren houden, als wel mensen haten. Dieren zouden moreler zijn dan mensen, omdat ze dichter bij de natuur staan. Wij mensen zouden daarentegen ‘vervreemd’ zijn van de natuur, die je kennelijk als een familielid moet beschouwen die op een gegeven moment niks meer van zich laat horen. Of een rijke stiefmoeder die jou vanwege slecht gedrag (vleeseten!) uit haar testament schrapt.

Vanuit de varkens bezien zijn we aan de varkens gelijk, denk ik. Al had George Orwell daar andere ideeën over.

Troost

Gelukkig hoef ik niet elke dag vlees te eten om te bewijzen dat ik rijk ben, zoals mijn grootouders deden – niet uit principe, maar uit armoede. Elke dag vlees op tafel, dat gaf troost, na de oorlog. Het vervulde misschien met trots, in elk geval niet met schaamte.

Ik hoef het vlees echter ook niet te laten staan om mijn sociale, godgelijke status te bewijzen. Eten is een sociale gelegenheid, dat is waar, maar als je alleen eet uit sociale overwegingen, word je te dik. Of te dun, afhankelijk van wie of wat je wil pleasen.

‘De schapen zijn trots. Ze weten dat ze geslacht gaan worden’, schreef Tonnus Oosterhoff (ik parafraseer). Oftewel: elke moraal berust op een mythe.

Daar moest ik over nadenken, terwijl ik gisteravond het lamsvlees stoofde. Lamsbout van de diervriendelijke slager, genoeg voor twee kinderen en één ‘mens’ (zo noemen mijn kinderen de volwassenen).

Het gaat erom welke mythen je wilt bewaren, maar ook: voor wie.

Liesje Schreuders is schrijver en in de maand maart gastcolumnist van volkskrant.nl/opinie.

Liesje Schreuders Beeld rv
Liesje SchreudersBeeld rv
Meer over