COLUMNSylvia Witteman

Ik bleek een ‘cruciaal beroep’ te hebben. Ik keek er zelf ook van op

null Beeld

Je hoort de laatste tijd nogal vaak het woord ‘post-apocalyptisch’ vallen, bijvoorbeeld bij de aanblik van een gesloten Hema. Het is niet helemáál The walking dead, vind ik, al lijkt de Hema me een ideale setting voor een zombiefilm, met caissières van wie de ontbindende onderarm loslaat en met een weerzinwekkend, nattig plofje tussen de zojuist gescande sokken belandt, rookworsten waaruit maden kruipen en dan die gebakafdeling vol beschimmelde tompoucen, beheerd door een grijnzend skelet met een kort, pittig kapsel.

Dan valt de apocalyps in werkelijkheid nog best mee. Stel dat deze pandemie een kwart eeuw geleden had plaatsgevonden, toen we nog geen Netflix of Thuisbezorgd hadden, of Bol.com, Zoom, of Tinder. Wat zouden er lange rijen voor de videotheken hebben gestaan! Nee, we mogen onze handjes dichtknijpen.

Pas toen het woord ‘avondklok’ viel, werd ik een beetje onrustig. Ik ben nogal ambulant van aard en nu kreeg ik toch het gevoel dat mijn vrijheid in het gedrang kwam. Een hond nemen dan maar? Dat is wel een paardenmiddel. Ik heb twee katten, maar dat zijn dégénérées die niet eens naar buiten dúrven, en ik denk ook niet dat boa’s daar zouden intrappen, in een kat.

Ik zag trouwens een filmpje van een jongen die met een geit door de stad liep, een schattig klein geitje met een rood halsbandje. ‘Wat nou avondklok, ik moet haar toch uitlaten?’, riep de jongen polemisch. ‘Ze volgt me overal!’ Hij maakte lokkende geluiden naar de geit, maar die huppelde eigenzinnig van hem vandaan, onbekende verten tegemoet. De jongen rende haar achterna en nam haar als een aktetas onder de arm, wat zij zich inschikkelijk liet welgevallen, dat moet gezegd.

Nee, aan een geit begon ik niet en dat hoefde ook niet, want ik bleek een ‘cruciaal beroep’ te hebben. Ik keek er zelf ook van op. Ik ‘draag direct bij aan de verspreiding van informatie aan de samenleving’, daar stond het zwart op wit. Zelfs de printer deed voor één keer niet moeilijk. Ik stopte de brief in mijn jaszak en wachtte gespannen op het tijdstip van 21.00 uur.

Toen het eindelijk zover was, fietste ik met bonzend hart naar het Leidseplein, waar ik, tussen de knetterende bezorgbrommertjes, onmiddellijk werd aangehouden door een politieagente met een lange blonde paardenstaart. Trots presenteerde ik mijn vrijbrief. Ze deed er lang over om hem te lezen en ze keek ook een beetje verbaasd. ‘Ja’, zei ze uiteindelijk. ‘Dat is geloof ik wel in orde.’

Een bruisend geluksgevoel maakte zich van mij meester. Vrij! Vrij om te gaan en te staan waar ik wilde!

Naar huis, want het was bitter koud.

Meer over