COLUMNPeter Middendorp

Ik besefte: mijn buurvrouw is helemaal niet eenzaam of hulpbehoevend, ze heeft de halve stad voor zich lopen

null Beeld

Iedereen heeft wel een kwetsbare oudere in zijn omgeving om wie hij zich eigenlijk zou moeten bekommeren. De mijne is een kleine, fragiele en hardnekkige buurvrouw, die van elk contact twintig contacten maakt, die appt en belt en klopt en ook rustig door het raam van de keuken naar binnen gaat staan kijken tot je je ineens te pletter schrikt.

Het kwam me goed uit dat ze last van haar benen kreeg. Ze werd steeds slechter ter been, op het laatst deed ze er twintig minuten over om de straat over te steken. Ineens kon je uitgebreid naar haar zwaaien als je van een afstandje werd geroepen – ‘Dag, mevrouw B., dahag, fijne dag!’ – en rustig wegfietsen, zonder dat ze merkte of kon bewijzen dat je voor haar op de vlucht sloeg.

Toen kwam corona, die kwetsbare ouderen tot afzondering dreef, en kreeg ik last van mijn geweten. Steeds vaker stelde ik me voor hoe mevrouw B. thuis zou zitten, eenzaam, hulpbehoevend, gekweld door pijn. Mijn egoïsme brak, ik stuurde haar een warm bericht: ‘We denken aan je, hoor. Geef je een gil als je iets nodig hebt?’ Twintig minuten later stond ik in de Kruidvat om een doosje aspirine te ruilen.

‘Is het voor mevrouw B.?’ vroeg de caissière. ‘Kent u haar?’ vroeg ik. ‘Ze heeft net gebeld’, zei ze, ‘volgens mij is de manager ermee bezig.’ Van de overkant van het gangpad zei een tweede caissière: ‘Er was hier vanochtend toch ook al een meneer voor mevrouw B.?’ Ze noemde de naam van een politicus. ‘Of was dat alweer gisteren’, zei ze, ‘met die andere meneer.’ En ze noemde de naam van een hoogleraar.

Ik herinnerde me de auto van de oud-gedeputeerde, waaruit mevrouw B. een tijd geleden was geholpen, de zanger met wie ik haar de bakkerij in had zien schuifelen, en besefte: mevrouw B. is helemaal niet eenzaam of hulpbehoevend, ze heeft de halve stad voor zich lopen. En ze was nog kieskeurig ook, je moest minstens in de krant hebben gestaan, anders kwam je niet eens in aanmerking om haar aspirines te ruilen.

Het was voor iedereen fijn dat ze aan haar zere benen werd geopereerd en een paar weken in een revalidatiecentrum werd opgenomen. Zo hoefde ik haar niet in het gezicht te zeggen: ‘Nee, mevrouw B., vraag de burgemeester maar of-ie melk voor je gaat halen.’

Tijdens haar afwezigheid daalde rust over onze levens neer. Eindelijk kon je weer de straat op zonder angst dat ze je ergens vanachter een muurtje stond op te wachten. We begonnen al voorzichtig te beredeneren waarom het voor mevrouw B. zelf ook beter was als ze nooit meer thuis zou kunnen komen wonen, toen ons het bericht bereikte van haar wonderbaarlijke genezing – ‘O nee hè, mevrouw B. kan weer lopen!’

Over enkele dagen komt ze thuis. We houden ons hart vast en ramen en deuren gesloten.

Meer over