essayMarjolijn van Heemstra

Hoogste tijd om onze kortetermijnblik te vertragen en zo ver uit te zoomen dat we de eeuwen gaan zien

Chronofilie kan langetermijndenkers van ons maken. Beeld Nathalie Lees
Chronofilie kan langetermijndenkers van ons maken.Beeld Nathalie Lees

We moeten ons niet laten opslokken door haastig kortetermijndenken, maar liefde opvatten voor de diepere tijdlagen waarin wij ook leven, betoogt Marjolijn van Heemstra. Anders blijven we als mensheid steeds weer dezelfde fouten maken die ons al in zoveel crises hebben gestort.

Ons leven staat bol van dringende zaken. Er moet voortdurend gekocht, gedaan, gedeeld, gereageerd. Laat een bericht een etmaal onbeantwoord en de afzender wordt al ongerust. Naast de stress van ons persoonlijke beeldschermbestaan is er ook nog de aanhoudende stroom acute problemen van grotere schaal: dringende woningnood, groeiende ongelijkheid, afschuwelijke klimaatontwrichting. Alles is urgent. Daar moeten we zo langzamerhand iets tegenoverstellen.

‘Urgent’ is een prachtig woord. Plaats het in een zin en mensen komen in beweging. Volgens het etymologische woordenboek is het te herleiden tot het meer dan drieduizend jaar oude Hittitische ‘ureg’, wat zoiets betekent als een spoor volgen omwille van wraak. Iets of iemand op de hielen zitten dus, om kwaad met kwaad te vergelden.

Natuurlijk groeit een woord in de loop van millennia van zijn oorsprong weg. Niemand zint nog op Hittitische wraak bij het zoeken naar een oplossing voor sociale ongelijkheid. Toch denk ik dat die oude wortels van het woord ons ergens op wijzen, namelijk op de jachtigheid die al die urgentie met zich meebrengt.

Snelle veranderingen trekken onze aandacht. Door onafgebroken updates van tijdlijnen en liveblogs wordt ons gevoel van urgentie elk moment van de dag gevoed.

Dat is natuurlijk in zekere zin terecht. Neem het laatste rapport van het VN-klimaatpanel IPCC: weer blijkt de klimaatontwrichting sneller te gaan dan gedacht. Weer blijkt er minder tijd te zijn om te redden wat er te redden valt. Er moet onvoorstelbaar veel gebeuren in onvoorstelbaar korte tijd. En dus zetten we de klok op een voortdurend vijf voor twaalf. Inmiddels zelfs steeds vaker op vijf over. Er moet onmiddellijk worden gehandeld. Nu of nooit.

Het heeft iets paradoxaals: de jachtigheid waarmee we naar oplossingen zoeken maakt dezelfde soort onrustige haast los die ons in grote problemen bracht. Een haast die het ons onmogelijk maakt écht anders te gaan leven, omdat ze ons gevangen houdt in slechte gewoonten en maar al te vaak voor tunnelvisie zorgt. Iets op een andere manier gaan doen kost nu eenmaal extra tijd. Alleen vanuit de ruststand kun je een nieuwe houding aannemen zonder geblesseerd te raken. Wie in vliegende vaart een afslag neemt, schiet uit de bocht.

Een gevoel van urgentie zet ons misschien aan tot snelle oplossingen, maar niet tot de mentaliteitsverandering die nodig is om ons écht anders te verhouden tot elkaar en de planeet waarop we leven.

Wat we nodig hebben is de kunst van het langetermijndenken, een denken dat zich over honderden, misschien zelfs duizenden jaren uitstrekt.

Dat klinkt nogal onbevattelijk voor een wezen met een levensverwachting van minder dan een eeuw. Wat mij hielp om die lange termijn voorstelbaar te maken, is het idee van ‘pace layers’, tempolagen, van de Amerikaanse toekomstdenker Stewart Brand. Hij heeft het uitgetekend in een overzichtelijk schema: zes opeengestapelde lagen die elk een ander ritme vertegenwoordigen.

De bovenste laag is de tempolaag van de mode, de waan van de dag en de snelle veranderingen. Deze oppervlaktelaag eist het grootste deel van onze aandacht op. Eronder zit de tempolaag van de handel, daaronder die van de infrastructuur, dan die van het bestuur. De twee diepste lagen zijn achtereenvolgens cultuur en natuur. Dit zijn tragere tempo’s, die te maken hebben met herinnering, integratie en stabiliteit. Bij het schema hoort een uitleg die leest als een gedicht: ‘Het snelle tempo leert, het langzame herinnert. Snel trekt aandacht, langzaam heeft macht. Snel breekt, langzaam continueert. Snel stelt voor, langzaam werkt weg.’

Als de tempolagen uit hun onderlinge ritme vallen, raakt het bestaan volgens Brands schema uit balans. Politiek bestuur dient zich niet te voegen naar de waan van de dag. Trage natuurlijke processen moeten niet kunstmatig worden versneld.

Theatermaker en schrijver Marjolijn van Heemstra Beeld Jiri Büller / de Volkskrant
Theatermaker en schrijver Marjolijn van HeemstraBeeld Jiri Büller / de Volkskrant

Om te leren denken op de lange termijn helpt het je te verplaatsen in de tijd van oceanen, bossen en vulkanen. Niet alleen te focussen op de dagelijkse nieuwsstroom, maar ruimte te nemen om de langzame processen te beschouwen waarin wij – als onderdeel van de natuur – ons óók voortbewegen.

In onze door mensen gedomineerde leefomgeving krijgen die processen vaak maar weinig ruimte. Een Amsterdamse bomenexpert vertelde mij ooit dat een gemiddelde boom in de natuur zo’n twee eeuwen leeft, maar dat een gemiddelde Hollandse stadsboom een levensverwachting heeft van dertig jaar. De wortels moeten wijken voor parkeergarages, metrotunnels, nieuwe buizenblokken. Er zijn nauwelijks plekken in de openbare ruimte die drie decennia ongemoeid blijven bestaan.

Chronocide, concludeerde iemand toen ik twee jaar geleden een brainstorm organiseerde over dit fenomeen. Het uitroeien van tijdsoorten omwille van die ene tijd waarin wij voortrazen. Het is een woord dat ik sindsdien regelmatig gebruik. Misschien kun je chronocide tegengaan met chronofilie, liefde voor al die tijdlagen uit het schema van Stewart Brand. En misschien valt die liefde te cultiveren.

Tijdens het schrijven van mijn boek In lichtjaren heeft niemand haast, dat dit voorjaar verscheen, kwam ik de astrofysicus Jacob Haqq-Misra op het spoor, die ‘deep altruism’ predikt. Hij definieert dat als ‘het onzelfzuchtig nastreven van het welzijn van anderen in de verre toekomst’, waarbij ‘deep’ verwijst naar een termijn van duizend jaar of meer. Die anderen zijn mensen die alleen in de verre verte nog van ons afstammen. Mensen die misschien nog wat van onze genen dragen, maar onze naam vergeten zullen zijn.

Haqq-Misra formuleerde dit idee met een toekomstige beschaving op Mars in gedachten. Nu de technologische ontwikkelingen onze aanwezigheid op Mars steeds dichterbij brengen, schrijft hij, is het tijd om na te denken over de morele kant van zo’n interplanetaire verhuizing. Daarbij moeten we er volgens hem voor waken dat we niet de oude koloniale mentaliteit meenemen waarin winstbejag en kortetermijnvoordeel centraal staan. Hij pleit er dus voor dat we onze aanwezigheid in de ruimte beschouwen in het licht van een écht lange termijn.

En hij geeft ons meteen wat praktische tips die ons kunnen helpen dit denken over de extreem lange termijn te trainen. Een van de oefeningen die hij noemt, is een bezoek aan een project dat zich toevallig binnen onze landsgrenzen bevindt: de Letters van Utrecht, waar ik stom genoeg nog nooit van had gehoord.

Op een koude winterochtend – vlak na het lezen van Haqq-Misra’s paper – schuifelde ik begin dit jaar over de Utrechtse Oudegracht. Onder mijn voet glinsterde de letter ‘J’ in een natte straatsteen. Gevolgd door een gladde ‘E’. Samen vormen ze het eerste woord van een in steen gebeiteld gedicht dat zich in een lange sliert over de gracht uitstrekt. De volledige eerste zin: ‘Je zult ergens moeten beginnen om het verleden een plaats te geven, het heden doet er steeds minder toe.’ Een zin die 37 stenen kostte en 19 weken. Elke zaterdag wordt een nieuwe letter toegevoegd. Eén letter per week, dat is het tempo van dit gedicht, dat sinds 2012 over de stoep kruipt.

Voor de formulering van een strofe is ongeveer drie jaar nodig. Over twee eeuwen komt het gedicht aan bij het Centraal Museum, een paar straten verderop. Het idee is dat het project door steeds een nieuwe generatie dichters in leven wordt gehouden. Als een olympische vlam die niet mag doven, een ketting van ritme en binnenrijm die ons verbindt met mensen die in volgende eeuwen door een volstrekt ander Utrecht zullen lopen, gesteld dat deze stad dan nog bestaat.

Ik had al vaak over de Oudegracht gelopen, maar tijdens deze slakkengang viel me voor het eerst pas op dat de bestrating er verdeeld is in horizontaal en verticaal gelegde stenen, dat veel stenen zijn beschadigd, sommige gebarsten. Nat van de regen glansden de straatstenen in alle tinten bruin, rood, grijs en blauw; hoe langzamer ik schuifelde, hoe meer kleuren ik zag.

Schuifelend probeerde ik me voor te stellen hoe iemand hier in 2520 zou wandelen. Misschien zou deze persoon de letters per ongeluk tegenkomen op een verlaten stuk grond of de bodem van de zee. Of misschien zou het gedicht tegen die tijd zo lang zijn geworden dat niemand meer zou weten waar het begon. Die stenen sliert waarin meter voor meter de taal verandert, van een oud dialect uit de 21ste eeuw in de taal van volgende generaties.

Duizend jaar vooruitkijken lukte me niet, maar er was iets heilzaams aan dat trage volgen van die letters, aan de ruimte die het gaf. Door de regen over een gracht schuifelen, merkte ik, kan je helpen in een andere tijdlaag te zakken. Het tempo van een in steen gebeiteld vers.

De Utrechtse letters schoten me weer te binnen toen ik de mooie documentaire Een drinkbare Maas zag, waarin ecoloog Li An Phoa al lopend de Maas volgt, van de bron tot de zee. Onderweg ontmoet ze de mensen die leven in het stroomgebied van de rivier. Een van hen is de eigenaar van een ecologische melkveehouderij die haar trots zijn grasland toont. Dit weiland, vertelt hij, groeit hier al zevenhonderd jaar ongemoeid. De op het eerste gezicht gewone lap gras blijkt als de camera inzoomt zo dichtbegroeid dat je de aarde nergens meer kan zien. Grassen, klaver en weidebloemen staan hecht verstrengeld in de bodem. Eeuwen van onbelemmerde groei hebben geleid tot een ongekende biodiversiteit.

Het is moeilijk voorstelbaar in een tijd van gillende urgentie, maar soms is iets láten het beste wat je kunt doen. Dat is makkelijker te zien als we af en toe volgen in plaats van leiden. Letter voor letter mee opgaan met een gedicht in wording. Slingerend door de tijd een rivier aflopen, van de eerste stroom tot de zee.

Het is zomer, een seizoen waarin het tempo doorgaans lager ligt. Een goed moment voor het oefenen van de chronofilie die ons naast jachtige probleemoplossers ook langetermijndenkers kan maken.

Er moet ongelooflijk veel gebeuren, maar daarnaast moet er ook ongelooflijk veel niet gebeuren. Of in elk geval niet nú gebeuren. Het is tijd om af te zakken naar andere tempolagen. Die van de cultuur, of de natuur, waarin we meer zijn dan razendsnelle consumenten van het laatste nieuws en de laatste mode.

Lagen waarin we niet alleen maar bezig zijn met veranderen, aanpassen en afbreken, maar ook met herinneren, voortzetten en opruimen. Het tragere, minder zichtbare werk dat het niet goed doet op stroomvretende tijdlijnen.

Naast alle urgentie is er adem nodig, ruimte en rust. Niet alleen voor onszelf maar ook, vooral, voor het niet-menselijke leven dat de dupe is van onze vernietigende haast. Wie weet kruipt de gemiddelde leeftijd van onze stadsbomen er langzaam door omhoog.

Meer over