ColumnAaf Brandt Corstius

Honderden Marktplaatshondjes lachten me toe. Goedkoop waren ze niet, maar ze waren er

null Beeld

Net nu al mijn buren en alle ouders van het schoolplein hun coronapuppy hadden afgericht en zindelijk gemaakt, begonnen bij mij de gedachten over een hond te spelen. Ik was ook te laat met modes als de Croc, de wijde pijp, de strakke pijp en het gebruik van het woord ‘wajooo’, dus ik keek er niet van op dat ik achteraan liep in de lange stoet mensen die had besloten dat dit de tijd was voor een hondje.

De hondjes waren op, zoveel was duidelijk. De ene na de andere fokker mailde me dat alle toekomstige embryo’s gereserveerd waren, en bij het asiel waren zelfs alle oude honden al in optie, behalve Rocco, maar Rocco beet.

Ik wist dat ik niet op Marktplaats moest kijken, want ik had genoeg verhalen van dierenvrienden op internet gelezen waarin met veel uitroeptekens en scheldwoorden (‘broodfokker’) kond werd gedaan van de slechtheid van mensen die dieren aanbieden op Marktplaats. Dat schenen types te zijn die moederhonden in permanente staat van zwangerschap gevangen hielden in puppyfabrieken. In Roemenië. In een garagebox. Zonder ramen.

Toch eens een kijkje op Marktplaats nemen, in het holst van de nacht. Kijken. Niet kopen. Honderden Marktplaatshondjes lachten me toe. Goedkoop waren ze niet – de meeste meer dan duizend euro per stuk – maar ze waren er. Heel veel. Voor de hondenzoeker leek me dit een gevaarlijke val: in heel Nederland geen hondje te krijgen, en hier dit eindeloze aanbod, gevuld met de ene mopshond na de andere dwergteckel, allemaal even schattig. Sommige droegen zelfs een kleine trui.

Ik ging nog steeds niemand kopen, maar toch ook maar eens de teksten lezen die er bij die hondjes stonden. Daar gebeurde iets geks. Alle teksten waren min of meer hetzelfde. Altijd zochten de hondjes een ‘gouden mandje’ of een ‘forever home’ – vaak zochten ze een gouden mandje én een forever home. Verder werd er bijna niets over ze gemeld, niet wie hun moeder was, of in wat voor gezin ze waren opgegroeid, of met hoeveel pijn in het hart hun baasjes afscheid van ze namen.

Hadden die broodfokkers dan zo weinig fantasie? Als ik een hondenbroedfabriek had, zou ik de teksten niet kopiëren en plakken, dacht ik bij mezelf. Bij de ene pup zou ik schrijven dat ze op een mooie lentedag verwekt was tijdens een moment van onoplettendheid in het park, bij de ander zou ik alle namen van de broertjes en zusjes vermelden, en hun lievelingssspeelgoedjes. Zo specifiek mogelijk zou ik zijn. Die slecht geschreven, repetitieve tekst over het gouden mandje duidde op fabriekswerk.

En zo raakte ik er na een lang verblijf op Marktplaats van overtuigd dat dit niet de weg naar een hondje was. Puur door de term gouden mandje. Wat natuurlijk wel bij mij klaarstaat.