ColumnJan Postma

Hoe vaak zie je nu een dichter lachen? Laat staan twee dichters tegelijk?

null Beeld

Ik zit op het balkon met de krant en een boek en in de verte klinkt gedonder.

In huis is het al de hele dag stil. Heel stil. Ze zijn een paar dagen weg. Hoe ik er niet naar heb uitgezien ze even te kunnen missen. De keerzijde van anderhalf jaar onafscheidelijk zijn is dat je soms gaat verlangen naar een afwezigheid.

Het ruisen van de bladeren aan de boom in de tuin van de buurman klinkt steeds weer als het vallen van eerste druppels. Ik trap er telkens opnieuw in.

Het boek is zo’n Penguinpocket met bladzijden van ongebleekt papier. Goedkoop geproduceerd, zoveel is duidelijk, maar door het simpele, zelfverzekerde ontwerp toch ook niet zonder iets als een innerlijke grootsheid. Ergens halverwege staat Joseph Brodsky’s gedicht A Song.

‘I wish you were here, dear, / I wish you were here. / I wish you sat on the sofa / and I sat near.’

Een zoete melancholie lees ik erin, onmiskenbaar vermengd met de echte pijn van een verlangen dat niet zozeer onbeantwoord als wel onbeantwoordbaar is. Een verlangen naar iets lang geleden, of misschien naar het lang geleden zelf.

‘I wish you were here, dear, / I wish you were here. / I wish I knew no astronomy / when stars appear, / when the moon skims the water / that sighs and shifts in its slumber. / I wish it were still a quarter / to dial your number.’

De Nederlandse vertaling in Strohalmen voor de lezer is mooi, maar ontbeert het mantra-achtige rijm tussen ‘here’ en ‘dear’ die maakt dat het gedicht zich in het Engels moeiteloos een weg baant naar je hart – dwars door alle lagen alledaagse onverschilligheid waarmee je jezelf ongewild hebt gewapend.

Op YouTube staat een filmpje van Brodsky die het gedicht voordraagt. Gejaagd en gepijnigd, klinkt hij. De zoete melancholie die ik dacht te ontwaren is nergens te bekennen. Heel Russisch allemaal, denk ik eventjes, maar wat weet ik nou van Russen?

‘I wish you were here, dear, / in this hemisphere, / as I sit on the porch / sipping a beer.’

Een paar weken terug zag ik toevallig een foto van Brodsky. Hij zat naast zijn Poolse collega Czesław Miłosz aan een tafeltje vol koffiebekertjes en flesjes Coca Cola. ‘21.06.93 Katowice’ had iemand er met een stift onder geschreven. Twee oudere mannen met vertrekkend of grotendeels vertrokken haar, maar allebei met een brede grijns op hun gezicht.

Ik dacht: hoe vaak zie je nu een dichter lachen? Laat staan twee dichters tegelijk?

Het gedonder zwelt aan, maar de regen laat nog altijd op zich wachten. Beneden scharrelt de buurman in zijn tuin. Dat is, denk ik, in de vier jaar dat we hier wonen nog geen dag anders geweest.

Meer over