VerslaggeverscolumnToine Heijmans in Castricum en Haarlem

Hoe twee vluchtelingen zichzelf uitleggen bij de Nederlandse mensen thuis

n Beeld n
nBeeld n

Dit land is gebouwd op migratie en migranten, en toch gaan Ammar en Mohab de deuren langs om zichzelf uit te leggen: achterelkaar vier keer op de koffie bij aardige mensen die verbaasd staan over hun uitstekende Nederlands. Het welkom bestaat uit voetbalkoekjes of -gebak, dat brengt het gesprek op gang, dat telkens eindigt met het uitwisselen van telefoonnummers: we houden contact.

Is het niet raar, Mohab, om jezelf de hele dag als vluchteling te presenteren en niet, nouja, als mens? ‘Ik denk dat mensen mij mijn hele leven als migrant blijven zien. Maar ik ben blij met mijn nieuwe leven.’

Duizend Nederlanders meldden zichzelf aan voor koffie met een vluchteling, teveel om allemaal te bezoeken, dus maakte het organiserende Vluchtelingenwerk een selectie en trokken de afgelopen dagen vluchtelingen in duo’s door het land, vergezeld van een blitse baristabus met goede koffie. Ammar en Mohab doen Noord-Holland, waar ze een warm welkom krijgen in de doorzonwoning van Marianne en Dennis, hun twee kleine kinderen en buurvrouw Simone.

‘Doorzonwoning’, zegt Mohab, ‘dat woord kende ik nog niet, dankjewel!’

Zes jaar terug uitgespuugd door Syrië en nu vrijwel klaar voor naturalisatie: Mohab werkt als softwareontwikkelaar bij ABN Amro (‘vaste baan!’), zijn familie strandde in Zweden maar hij heeft nu een Nederlands-Duitse vriendin. En een kat. Ammar krijgt deze week antwoord op zijn sollicitatie naar een baan als taxichauffeur bij het ziekenhuis; zijn poging in Nederland een borduurzaak te beginnen, zoals hij die in Aleppo had, mislukte. Drie zoons sprinten hem eruit als het gaat om Nederlander worden, ‘zij leven in een andere cultuur’.

In de tuin van de doorzonwoning valt het woord ‘gezellig’. Dennis is wat later, sorry, die haalt tompoucen, zegt Marianne, ‘maar jullie waren heel netjes op tijd’. ‘Ja’, zegt Ammar, ‘geleerd in Nederland’. Mohab: ‘Afspraak is afspraak.’ Simone: ‘Is dat in jullie cultuur anders?’ Mohab: ‘In Syrië geldt ook afspraak is afspraak, maar een beetje later komen mag.’

Vragen en antwoorden schieten over en weer, het is vrolijk en serieus, al dragen de vluchtelingen zwarte actieshirts. Mohab en Ammar herhalen soms wat ze een uur terug in Haarlem-Noord vertelden, voor de rijtjeswoning van Nashira en Tarek, maar dat is niet erg, zegt Mohab: iedereen weet wat een vluchteling is, maar hun verhalen, de ernst ervan, de pijn, de bommen, de moorden in je hoofd, blijven vaak uit zicht.

Mohab (geknield), Ammar, Marianne en Dennis. Beeld Toine Heijmans
Mohab (geknield), Ammar, Marianne en Dennis.Beeld Toine Heijmans

Dan begint Dennis over zijn vader, die twaalf was toen hij met het gezin halsoverkop uit Nederlands-Indië vluchtte tijdens de Bersiap, en terechtkwam in Vught, ‘een voormalig strafkamp, stel je voor’. Dus Dennis is de zoon van een vluchteling, en werd vader van een oer-Hollands gezin, ook die mogelijkheid blijft vaak uit zicht.

‘Mijn opa verkocht alles op stel en sprong, ze kwamen met de boot. Ze waren niet welkom, niemand wilde ze hier hebben. Ze moesten helemaal opnieuw beginnen.’

Mohab: ‘is hij daar ook mensen verloren, vermoord?’

Dennis: ‘Zeker.’

Mohab: ‘We hadden dezelfde situatie in een andere tijd.’

Dennis werkt als leraar Engels op een middelbare school, en zijn lach verdwijnt als hij vertelt hoe weinig ze daar van vluchtelingen weten. ‘Tieners hebben geen idee, ze begrijpen het niet. Echt, dat besef is weg. Ze kunnen zich er geen voorstelling van maken.’

Veel politici zijn wat dat betreft ook tieners, of veinzen dat. Het is soms beter dingen niet te begrijpen.

Mohab en Ammar krijgen cadeaus: stroopwafels en oranje voetbalsjaals. Eerder boden Nashira en Tarek in Haarlem-Noord de vluchtelingen voetbalchocolaatjes bij de koffie, ‘heel mooi dat jullie hiervoor open staan’, opende Nashira het gesprek, ‘veel mensen hebben vooroordelen’. Tarek wil alles weten van hun reis, ‘ontzettend moeilijk, zwaar en donker, een maand lang, veel lopen, de kinderen op mijn schouders’, zei Ammar. En Mohab begon over vijftien maanden in een azc, alleen, als 17-jarige: ‘je voelt je nergens veilig’.

‘Hoe ga je om’, vroeg Nashira, ‘met de dingen die je hebt meegemaakt?’

Mohab: ‘De eerste vijf jaar dacht ik er niet aan. Maar het zit nog steeds in mijn hoofd. Die pijn. Die wonden moeten een keer open.’

Tarek komt trouwens uit Egypte, hij werkt bij Amazon als technical account manager, ook migrant maar geen vluchteling, ook de taal zo machtig. Op het werk spreekt iedereen Engels, dat is normaal op grote kantoren in Nederland.

Uiteindelijk is iedereen migrant, maar de ene is de andere niet.