essay

Hoe Pim Fortuyn het politieke bedrijf fundamenteel veranderde

De in 2001 door Pim Fortuyn ontketende opstand van de kiezers, blijkt achteraf het begin van een fundamentele gedaanteverwisseling van het politieke bedrijf. Het populisme is niet meer weg te denken uit de hedendaagse politiek. En politieke partijen zijn niet meer dan verenigingen van politiek personeel.

Hans Wansink
null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Pim Fortuyn was geen ochtendmens. De nacht is om te drinken en te dansen, de morgenstond heeft lood in de kont. Zo ook op 11 september 2001. In New York was het 9 uur, in Rotterdam keek Fortuyn in pyjama om 3 uur ’s middags naar de instortende Twin Towers.

Zo zagen 1 miljoen tv-kijkers het althans in de eerste aflevering van Het jaar van Fortuyn. De serie dramatiseert de gebeurtenissen, maar slaagt er juist daarom in de roerigste periode uit de Nederlandse politieke geschiedenis sinds 1945 opnieuw tot leven te wekken.

De eerste weken na de aanslagen waren moskeeën, islamitische scholen, een reisbureau en een Syrisch-orthodoxe kerk doelwit van vernieling en brandstichting. De islamitische landgenoten stonden opeens te kijk als een bedreiging van onze westerse beschaving. Dat was precies de boodschap die Pim Fortuyn – orator, provocateur en politicus zonder partij – al jaren had verkondigd.

Op 25 november 2001 was ik er als journalist van de Volkskrant bij toen hij in een uitzinnig Gooiland in Hilversum tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland werd gekozen. ‘At your service!’ zei hij. Zijn columns in Elsevier hadden hem veel fanmail opgeleverd en zijn optredens in Business Class van Harry Mens respectabele kijkcijfers. Gaandeweg was bij Fortuyn de overtuiging gegroeid dat hij geroepen was het land te redden. Hij droomde van een ‘zakenkabinet-Fortuyn’.

Nu, twintig jaar nadat deze droom aan flarden werd geschoten, kunnen we vaststellen dat de spectaculaire inbraak van Fortuyn in het politieke bestel van ons land van blijvende betekenis is gebleken. Met de volkspartijen, die gedurende de vorige eeuw het politieke leven hadden gedomineerd, zou het nooit meer goed komen. Het populisme ontwikkelde zich daarentegen tot een blijvende factor in het politieke bedrijf. Daar zou Pim wel mee hebben kunnen leven. Dat gold niet voor de groeiende invloed van niet-gekozen functionarissen achter de schermen. Bureaucraten, experts en rechters sprongen in het gat dat de gevestigde partijen lieten vallen.

Als Wilhelmus S.P. Fortuyn, ‘een zoon van het Volk van Nederland’, had hij in 1992 zijn traktaat Aan het Volk van Nederland gepubliceerd en daarvan twintigduizend exemplaren verkocht. De titel was ontleend aan het beroemde schotschrift van Joan Derk van der Capellen. Deze edelman uit Overijssel had in de nacht van 25 op 26 september 1781 zijn pamflet laten verspreiden in alle grote steden van de Republiek. Hij hekelde de corruptie en de vriendjespolitiek van de stadhouder en de regenten en gaf zo de aanzet tot de patriottenbeweging – een Hollandse echo van de revoluties in Amerika en Frankrijk.

De Britse historicus Simon Schama gaf een treffende typering van de 18de-eeuwse populist: ‘Van der Capellen was een stier die aan de kudde was ontsnapt. Hij had, zoals elke geboren demagoog, een neus voor gelazer. Hij buitte de problemen waarmee de Republiek in de jaren 1770 kampte, met verve uit. Van der Capellen was geen opportunist, maar een egoïst. Er zat iets in zijn bezeten en onmatige karakter dat hem verleidde tot politieke provocatie, ja zelfs martelaarschap.’ Het is een omschrijving die ook op hedendaagse populisten past, inclusief Pim Fortuyn.

Samenzwering cultiveren

Populisten cultiveren altijd een samenzwering tegen vijanden die het volk bedriegen en uitbuiten voor eigen gewin. Dat kan stadhouder Willem V zijn in het geval van Van der Capellen, Hillary Clinton in het geval van Trump of George Soros in het geval van Orbán. Pim Fortuyn had het in Aan het Volk van Nederland over Ons Soort Mensen: de coterie van ambtenaren en bestuurders die sinds jaar en dag de dienst uitmaakt. ‘U begrijpt het al’, fulmineerde Fortuyn, ‘U en ik behoren daar zeker niet toe.’

De oproerkraaier verklaarde zich nader: ‘Ons Soort Mensen bestuurt het land in al zijn geledingen. Op het moment dat de bestuurder zich komt verantwoorden, heeft hij de feiten al zo gerangschikt dat eruit komt wat hij beoogt. Ons Soort Mensen is bijzonder stoelvast, ook nadat hun feilen breed zijn uitgemeten. In de beste tradities van schikken en plooien wordt een hapsnap beleid gevoerd (…) Ze hebben dikwijls een afstandelijke, maar hechte verbinding met de politieke macht, met name met het CDA. Functionarissen van de Partij van de Arbeid doen erg hun best om bij Ons Soort Mensen te mogen behoren.’

Toen Fortuyn dit schreef, had het CDA 54 zetels in de Tweede Kamer en de PvdA 49. Dat zijn er nu, dertig jaar later, 15 voor het CDA en 9 voor de PvdA. In Frankrijk behaalden de socialisten en de gaullisten (centrum-rechts) in 1988 54 procent van de stemmen. Begin april 2022 was dat 6 procent (waarvan 1,7 procent voor de socialisten). De teloorgang van de volkspartijen, die de pretentie hadden verschillende sociale groepen te verbinden met een ideologisch geladen beginselprogramma, is dus geen exclusief Nederlands verschijnsel.

Bij de verkiezingen van 2021 scoorden de rechtse populisten van de PVV 17 zetels, FvD 8, en JA21 3 zetels. Ook andere uitdagers van het establishment (Volt, Denk, Bij1 en BBB) maakten hun opwachting. Het populisme is dus niet meer weg te denken uit de hedendaagse politiek.

Volgens het handboek politicologie zijn populistische bewegingen vluchtig. Ze politiseren een brandende kwestie die door de gevestigde orde wordt genegeerd. Maar ze raken bij hun achterban in de knel als zij verantwoordelijkheid nemen en compromissen moeten sluiten. Zo ging het ook met de Lijst Pim Fortuyn. Die won op 15 mei 2002 met 26 zetels de Kamerverkiezingen. Maar acht maanden later ging de LPF alweer aan interne kinnesinne ten onder – het eerste kabinet-Balkenende in zijn val meeslepend. De gevestigde partijen nemen, nog steeds volgens de theorie, het programma van de populisten in gematigde vorm over en weten aldus de dolende kiezers weer aan zich te binden.

Van die binding is, kunnen we twintig jaar later vaststellen, weinig terechtgekomen. De kiezers maken bij elke verkiezing opnieuw de balans op, vaak pas in het stemhokje. Op hun beurt identificeren de beroepspolitici zich met de instituties. Ze beschouwen hun mandaat niet zozeer als een verplichting aan hun kiezers, maar als springplank voor een vaste betrekking in het openbaar bestuur. Zo dekken ze zich in tegen het onberekenbare kiezersvolk dat hun positie als volksvertegenwoordiger zo kwetsbaar maakt.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Begin van een gedaanteverwisseling

De door Fortuyn ontketende opstand van de kiezers was het begin van een fundamentele gedaanteverwisseling van het politieke bedrijf. De Amerikaanse historicus Morton Keller spreekt van een overgang van het ‘regime van de partijendemocratie’ (het tijdperk van de massapartijen, die de aspiraties van hele volksdelen wisten te kanaliseren en om te zetten in politieke actie) naar een ‘populistisch-bureaucratisch regime’. Keller geeft aan het begrip populisme een veel ruimere betekenis dan het optreden van vluchtige bewegingen als de leefbaren en de fortuynisten. Alle politieke agitatie van onderop en van buiten de traditionele volkspartijen noemt hij populistisch.

Keller wijst naar de Amerikaanse burgerrechtenbeweging tegen rassendiscriminatie. Vandaag de dag valt te denken aan de milieubeweging, de beweging voor dierenrechten en #metoo. Mediagenieke activisten hebben de rol van politieke partijen in het agenderen van maatschappelijke vraagstukken overgenomen. De tijd dat het parlement het brandpunt was van het politieke debat over de publieke zaak ligt achter ons; dat debat wordt in de (sociale) media gevoerd. Zo zijn partijen vandaag de dag niet veel meer dan verenigingen van politiek personeel. En zelfs dat valt niet mee. PvdA-leider Ad Melkert vertelde mij twintig jaar geleden al hoe moeilijk het was geschikte volksvertegenwoordigers te vinden.

Ambitieuze ambtenaren, lobbyisten (vaak ex-politici) en niet door de kiezers gecontroleerde nationale, internationale en Europese instellingen bewegen zich steeds zelfbewuster op het politieke toneel. Neem bijvoorbeeld het Centraal Planbureau (CPB). Dat rekent de verkiezingsprogramma’s door op de effecten voor de schatkist, de werkgelegenheid en de koopkracht. Het CPB neemt alleen voorstellen uit die programma’s serieus die onderbouwd zijn met ambtelijke nota’s en de eigen CPB-ramingen. Op hun beurt slaan partijen elkaar in debatten met CPB-rapportcijfers om de oren. Zo is het planbureau uitgegroeid tot de moderator van de Nederlandse politiek.

Met de Europese Centrale Bank is het van hetzelfde laken een pak: die houdt de eurozone in een monetaire houdgreep zonder aan wie dan ook verantwoording af te leggen. De regelfabriek van de eurocraten in Brussel maakt van de nationale soevereiniteit van de lidstaten een fictie. Morton Keller wijst ten slotte op de politieke rol van de rechterlijke macht, die in de Verenigde Staten een lange traditie heeft. Ook in Nederland gaat de rechter vandaag de dag, vaak ingeschakeld door actiegroepen, zonder blikken of blozen op de stoel van de wetgever zitten. En die wetgever, ons parlement dus, is opgelucht dat de rechter de kastanjes uit het vuur haalt.

Terug naar februari 2002. Samen met collega Frank Poorthuis was ik op bezoek bij Pim Fortuyn in zijn Palazzo di Pietro in Rotterdam. ‘Veertigduizend asielzoekers per jaar, dat is in vier jaar tijd een stad van de omvang van Groningen. Dat moeten mensen zich even goed realiseren. En dan veelal: enkele reis onderklasse. Nou dat zie ik niet zo zitten. Daar moeten we maar eens even mee stoppen.’ De lijsttrekker van Leefbaar Nederland kwam op stoom. ‘Ik heb veel gereisd in de wereld. En overal waar de islam de baas is, is het gewoon verschrikkelijk. Meneer, als ik het juridisch rond zou kunnen krijgen, dan zou ik gewoon zeggen: d’r komt geen islamiet meer binnen. Maar ik kan het niet juridisch rond krijgen. Want, ik zeg het maar, de islam is een achterlijke cultuur.’ Poorthuis en ik keken elkaar aan. Dat wordt de kop voor de krant van zaterdag, dachten we.

Voor alle zekerheid zei Fortuyn nog eens: ‘Ik ga voor het minister-presidentschap’. Maar, drongen we aan, met wie? De groslijst van Leefbaar Nederland had weinig talent opgeleverd. Fortuyn beklaagde zich dat vrienden als de advocaat Bram Moszkowicz, de Telegraaf-columnist Bob Smalhout en de tv-journalist Catherine Keyl hem hadden laten zitten. Al begreep hij hun redenen wel: ‘Ze zeggen: ik wil je graag helpen, maar ik heb nu een leuk leven en je moet niet aan mij vragen om in die vreselijk saaie Kamer te gaan zitten.’

Door de mand vallen

Het gebrek aan gekwalificeerde medestanders en de vertwijfeling die dat bij Fortuyn – inmiddels gecanceld door Leefbaar Nederland – teweegbracht, zien we in Het jaar van Fortuyn treffend in beeld gebracht. Daar kwamen de bedreigingen door militante activisten nog eens bovenop. Het is alsof Fortuyn voorvoelde dat hij door de mand zou gaan vallen. Maar hij kon niet meer terug. Zeker niet na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002, die hij als lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam won met 35 procent van de stemmen.

In de aanloop naar de Kamerverkiezingen van 15 mei bleek uit opiniepeilingen dat buiten zijn eigen aanhang niemand Pim Fortuyn als de nieuwe premier van Nederland zag. Slechts 33 procent stond sympathiek tegenover de politiek leider van de LPF. Pas na zijn gewelddadige dood op 6 mei 2002 werd Fortuyn ook buiten zijn achterban populair. Zijn betekenis voor de Nederlandse politiek moet dus niet overschat worden, maar ook niet onderschat.

Pim Fortuyn plaatste bij het volk levende zorgen over de moeizame integratie van moslims en de falende publieke dienstverlening op de politieke agenda. Hij ontwikkelde zich in een paar weken tijd tot de prima donna in een politieke arena die wel wat spektakel kon gebruiken. Zo motiveerde hij een flinke groep gedesillusioneerde kiezers weer naar de stembus te gaan. Zijn beweging strafte vervolgens het fantasieloze consensus-beheer van Paars af: de coalitie van PvdA, VVD en D66 verloor 43 zetels. Hij toonde ten slotte aan hoe gemakkelijk het was geworden in te breken in het politieke bestel en wist zo het regime van de partijendemocratie onklaar te maken.

Je zou kunnen zeggen dat daarvoor in de plaats in het politieke bedrijf een nieuwe arbeidsdeling is gekomen. De politieke agenda wordt gevuld door enerzijds activisten en populisten en anderzijds door niet-gekozen functionarissen en instellingen. De enige functie van de ineengekrompen partijen is het leveren van politiek personeel voor de vertegenwoordigende organen.

Het vertrouwen tussen kiezers en de als halfgoden vereerde partijleiders was van oudsher verankerd in een gemeenschappelijke levensovertuiging. Deze hechte band heeft voorgoed plaats gemaakt voor een vrijblijvende en vluchtige relatie tussen kiezers en kandidaten. Die moeten via de (sociale) media bij elke verkiezing opnieuw het maar matig in de politiek geïnteresseerde kiezersvolk voor zich zien te winnen.

Hans Wansink werkte tussen 1999 en 2010 op de parlementaire redactie van de Volkskrant. Hij promoveerde in 2004 op De erfenis van Fortuyn. De Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers.

Meer over