COLUMNEva Hoeke

Hoe ongelukkig was ik, een jaar later, zonder Carlijn?

Terwijl een onduidelijke vijand zich met de wereld in een nerveus schaduwgevecht had gestort en een fanfare van narcissen niet langer de komst van licht en leven, maar een grimmige lente aankondigde, zag ik 4 april naderen, de eerste sterfdag van mijn vriendin Carlijn. Onze vriendin Carlijn, bondgenoot sinds de middelbare school, onderdeel van zes vriendinnen, van een club, een klas, een collectief – heksenkring, ook goed.

Carlijn was de stilste in ons midden geweest, de trouwste ook, een diplomaat, iemand die zich niet op haar gemak voelde in fel licht, maar sterker dan de rest was op de bank met een slap pak en een rits bastognes. Een luisterend oor waarin van alles verdween, grappen, geheimen en verhalen, hele conferences desnoods, toeters en bellen. En in deze vreemde, solitaire dagen, met de kroegen dicht, de kinderen dichtbij en wij dobberend in de tijd, maakte ik een inventaris van mijn ongeluk.

Hoelang was een jaar?

Een vliegenpoep, een lichtflits, een baan om de zon die zich vlak voor mijn ogen had voltrokken, zonder ’m op te merken. Het was 365 dagen na een blitzkrieg van een kanker en een brute finale in een hospice, de dood niet langer een last maar een verlossing. Hoelang had het geduurd voordat ik niet meer elke dag huilde? Hoelang was ik woedend gebleven? (Was het wel woede?) En hoe vaak kwam ze nog voorbij, als zichzelf of in de ander?

Haar rouwkaart stond nog op de schouw, het kaartje dat ze me stuurde toen we verhuisden (Furisode met vliegende kraanvogels (1910-1930), anoniem) klemde nog altijd onder een magneetje op de koelkast. Door vrienden, collega’s en welwillenden werden overal ter wereld kaarsen aangestoken in kerken en kapellen, beelden ervan verschenen in de speciaal voor haar opgerichte appgroep.

Ze kwam voorbij in uitspraken, in de handen van haar moeder, in een grofgebreide deken over een stoel.

En soms, heel soms, zag ik haar in het echt. Ongemakkelijk was het geweest, hoelang ik naar de receptioniste van de apotheek had gestaard. Diezelfde hoge jukbeenderen, datzelfde ijle haar waar ’s ochtends zoveel zorg aan werd besteed. En vooral: datzelfde dienstverlenerige, dat willen helpen. Zowel troef als last van opgroeien in een milieu waarin blijken van zorg en meegaandheid zwaar telden voor hoe je werd gewaardeerd, waaraan je elkaar zelfs herkende. Een gebaar hier, een kattebel daar: nee hoor, neem jij die plek maar. De Carlijn als mensensoort, bedacht ik, met mijn buik tegen de balie leunend, ontroerd bijna, maar ik kreeg mijn recept en moest plaatsmaken.

En hóé dacht ik dan aan haar? Ziek? Of hoe ze de 39 jaar daarvoor was geweest?

Allebei. De achteloze manier waarop ze een banaan at terwijl er 275 milliliter Paclitaxel in haar aderen werd gedruppeld vermengde zich moeiteloos met beelden van de disco in Castricum, wij net uit het ei en een of andere gozer van het type ‘willen de dames wat drinken?’. Gíllen van de pret. Ik dacht aan hoe ze een paniekaanval had gekregen op de A1, en hoe een aardig mens vervolgens was gestopt en uitgestapt, ‘een jaar of 50, uit Laren, heel aardig en adequaat, Aletta heette ze’, daarna dacht ik aan bollenpellen, aan weekendjes weg, aan Baileys met één blokje ijs.

Hoe ongelukkig was ik, een jaar later?

Zo ongelukkig als een vriendin is die het allang vergeven telefoonnummer van haar dode vriendin niet kan verwijderen uit haar favorieten, omdat het voelt als afscheid, als ontrouw. En met het onbekende dat uit de verte kwam aanrollen, steeds sneller, duister en dreigend als de dood zelf, verschanste ik me in mijn eigen huis, op mijn eigen bank en dacht ik voor de duizendste keer aan haar, mijn eeuwigdurende troostprijs.

Meer over