Column

Hoe moeilijk kan het zijn, drie pijlen in zo'n bord flikkeren?

Darten - eigenlijk kan iedereen het. Toch?

Darten - eigenlijk kan iedereen het. Toch? Beeld anp
Darten - eigenlijk kan iedereen het. Toch?Beeld anp

In januari kopen tienduizenden mannen een dartbord. Ze scharrelen door een dartsspeciaalzaak, voelen aan het triple-20-vakje en fluisteren: 'Rinus throwed wannunderteneetieeeee'. Dat komt allemaal door Michael van Gerwen en Raymond van Barneveld.

Die zien er verdacht gewoon uit. Michael van Gerwen, dat zou iemand kunnen zijn die broodjes staat af te bakken in de plaatselijke supermarkt of iemand die gaat kijken of maat 43 er nog in het bruin is. Raymond van Barneveld, als die morgenochtend op de weekmarkt van Vliezen badstof sokken staat te verkopen, loop je hem voorbij.

We zijn te veel aan voetballers gaan wennen. Die laten een uur voor de wedstrijd een hiphoptekst in hun achterhoofd scheren en tatoeëren de naam van hun manager op de plek waar normaal gesproken hun portemonnee tegen het lichaam drukt. Voetballers maken reclame voor een nieuwe auto, die vanzelf start als hun vriendin ongesteld is. Darters plakken een witte sticker op hun polo en hopen dan dat iedereen de volgende dag 23-secondenlijm van 'Knutselpaleis Gebroeders Ruinen (behalve de jongste)' gaat kopen.

Het is deze bedrieglijke gewoonheid die veel mannen tijdelijk verblindt. Hoe moeilijk kan het zijn, drie pijlen in zo'n bord flikkeren? Als je met je pantoffel bijna gedachteloos de kat van de vensterbank kan gooien, wie gaat jou dan nog wat leren?

Dat was ongeveer de mindset van mijn vader, nadat hij in de jaren 80, bij de BBC, voor het eerst een WK darts had gekeken. Twee dagen later hing er opeens een wedstrijdbord aan onze deur. Mijn vader liet me de bon zien. 'Kijk, hier staat het. Wedstrijdbord, dus dan is het een wedstrijdbord, want het staat op de bon.'

Ik was er zelf ook trots op. Als er iemand op visite kwam, wees ik naar het bord. 'Wedstrijdbord.' Ik heb zelfs onze postbode zijn hand erop laten leggen. 'Voel je? Als boter. Beter koop je ze niet.'

Mijn vader had ook professionele pijlen gekocht. Dat verbaasde mij. Alle andere gebruiksvoorwerpen in ons huis kwamen van schimmige rommelmarkten. Ik heb tot mijn 18de gegeten uit een bord waarvan eerst een ander had gegeten. Er stond 'Benno' achterop. Mijn fiets was samengesteld uit negen andere fietsen. Op straat herkende een jongen zijn oude zadel.

En nu lagen er opeens heel dure pijlen. In een doosje. Mijn vader ging achter een met viltstift op de vloer getrokken zwarte streep staan en gooide. In het bord. Wij applaudisseerden. Hij gooide nog een pijl. Weer in het bord. Ik geef toe dat ik toen ook even heb gedacht: dat kan ik ook. De derde pijl plofte in het bord.

'En nu?', vroeg mijn moeder. 'Nu moet jij ze eruit halen en aan mij geven.' Zo ging dat enige tijd door, tot het een beetje begon te vervelen. 'Zijn er geen spelregels?', vroeg mijn moeder. 'Ja, dat de vrouw in de schuur gaat zitten en wacht tot ik op de muur ram', zei mijn vader.

Toch zag ik de twijfel groeien. Hij deed iets verkeerd, maar wat? Het ging te makkelijk. Ik wees naar het buitenste vakje van de 16. 'Hier moet je hem ingooien.'

Mijn vader gooide en samen keken we naar Miep, onze kat, die met een pijl in haar achterlichaam radeloos door de kamer draafde.

Meer over