OpinieBoekenweekessay Özcan Akyol

Hoe incestueus is de boekenwereld? ‘Akyol is zwanger van opportunistische hypocrisie’

De boekenbranche is een incestueuze bende, lijdt aan tomeloze zelfoverschatting en misplaatste arrogantie. Het Boekenweekessay van Özcan Akyol schetst een gitzwart beeld van de literaire wereld. Heeft hij gelijk? Een rondgang langs vier jonge schrijvers.

V.l.n.r.: Anna van den Breemer, Özcan Akyol, Jet Steinz en Peter Buwalda in 2019 op de rode loper van het Boekenbal in Internationaal Theater Amsterdam, het traditionele openingsbal op de vooravond van de Boekenweek.Beeld ANP

Niña Weijers

‘Natuurlijk is de Nederlandse literaire wereld te klein, verziekt en incestueus. Akyols essay wil dat aantonen, maar is tegelijk een beeldig voorbeeld van de obsessie van de literaire wereld met… zichzelf.

‘Akyol richt zijn pijlen voornamelijk op recensenten van De Groene Amsterdammer, maar die pijlen waren iedere andere kant op ook wel raak geweest (wellicht staat hij met recensenten of anderszins invloedrijke figuren van andere media op betere voet).

‘Dat schrijvers met elkaar bevriend zijn lijkt me niet opmerkelijker dan dat bouwvakkers of artsen met elkaar bevriend zijn. Het is van alle tijden, en ik zou durven beweren dat het de literatuur heeft verrijkt (denk bijvoorbeeld aan de correspondentie tussen Hermans en Reve, tussen Roth en Zweig, tussen Flaubert en Sand).

‘Akyols aanval op ‘de elite’ klinkt bekend en een beetje sleets in de oren – de elite als clubje humorloze chagrijnen dat vol dedain neerkijkt op het gepeupel daar beneden. Natuurlijk behoor je tot een elite als je boeken schrijft die serieus worden genomen in de boekenbijlagen van dag- en weekbladen. En je behoort ook tot een elite als je bijna wekelijks aanschuift in talkshows, tv-programma’s maakt en het Boekenweekessay mag schrijven.

‘Akyol vindt de oogst van de nieuwe generatie schrijvers ‘behoorlijk pover’, schrijft hij in zijn essay. Waarom hij dat vindt, onderbouwt hij niet met argumenten die met hun boeken iets van doen hebben. De vraag dringt zich op of hij ze eigenlijk ü-ber-haupt gelezen heeft.

‘Geouwehoer over wat literatuur is en wat niet, is zo oud als de literatuur zelf. Dat geouwehoer is een vorm van liefde. Dat liefde ook in- en uitsluiting veroorzaakt, valt niet te ontkennen, maar beweren dat dit haar enige kenmerk is, doet haar krimpen tot het formaat van een schoolplein waarvan je —inderdaad— het liefst gillend wegrent.’

Philip Huff

‘Akyol wil shockeren. Hij blaat een boel, maar geeft weinig wol. Volgens hem lezen mensen minder omdat de boekenbranche arrogant en incestueus zou zijn. Dat was twintig jaar geleden ook al zo en toen werd er nog wel gelezen. De ontlezing in Nederland is veroorzaakt door politieke keuzes en veranderingen: leraren zijn overwerkt omdat ze voor te grote klassen staan en geen persoonlijke aandacht kunnen bieden, er zijn het afgelopen decennium meer dan vierhonderd bibliotheken gesloten, en thuis lezen ouders nog amper voor. Kinderen krijgen een telefoon of tablet en kijken de hele dag filmpjes op een scherm, net als hun ouders. Op die schermen mag Akyol zijn kortzichtige analyses geven én presenteert hij programma’s. 

‘Het is tekenend voor het CPNB dat ze Akyol vragen voor het Boekenweekessay, iemand die vooral bekend is van tv. Hij richt enorme schade aan met zijn mediaoptredens. Hij begint over de invloed van De Groene Amsterdammer. Die hebben 20 duizend lezers. Akyol krijgt vrij baan in DWDD, met 1,5 miljoen kijkers. Die denken nu dat de ontlezing komt door arrogante schrijvers en boekhandelaren met liefde voor de literatuur. Ik gaf de afgelopen jaren op honderden scholen lezingen; dat werk wordt in tien minuten tenietgedaan. Akyol zeikt nu VPRO Boeken af, maar op Twitter circuleert een fragment waarin hij in 2018 zegt dat het ‘een onmisbaar programma’ is. Eerst is iets prachtigs, dan helemaal niks. Eerst gaat hij met zijn uitgever op vakantie, dan is de boekenbranche incestueus. Hij is zwanger van opportunistische hypocrisie en heeft zoveel boter op zijn hoofd, dat zijn haar ervan gaat glimmen.’

Daan Heerma van Voss

‘De literaire branche is altijd grotendeels gevestigd geweest in Amsterdam. Dit zorgde statistisch gezien voor een ongelijke verdeling van kansen: hoe verder je van het epicentrum opgroeit, hoe groter de moeite die je moet doen om in contact te komen met uitgevers. (Dit zegt niks over wat er vervolgens met je manuscript gebeurt, en de meeste schrijvers die ik ken komen níét uit Amsterdam.) Deze ongelijkheid moet onderzocht worden, en dat wordt ze ook, door te discussiëren over de poortwachters van het systeem: wie krijgt kansen, wie krijgt prijzen? 

‘Een literaire tantrum als dit lijkt me niet de gedroomde volgende stap in het debat, dat op zichzelf waardevol is. Nog afgezien van de ironie die ik bespeur in het feit dat juist Akyol, die met zijn Amsterdamse uitgever met vakantie gaat, de randstedelijke presentaties afschuimt en bevriend is met de halve televisiewereld, denk ik vooral: arme lezer. Er zijn al zo weinig lezers, en die krijgen nu in plaats van een mooi verhaal – en dat zouden schrijvers toch moeten schrijven – een lijst roddelgrieven opgediend over schrijvers die ze veelal niet eens kennen. Wat is met dit essay gewonnen? Dat een paar schrijvers en redacteuren op een Amsterdamse borrel besmuikt kunnen lachen, voordat ze verdergaan met hun leven.’

Maartje Wortel

‘Voor een groot gedeelte heeft Özcan Akyol een punt: vooral de wereld van recensenten is vrij ziekelijk. Ze zitten in de jury’s die prijzen uitreiken, het zijn vaak vrienden van schrijvers, ze staan op feestjes met schrijvers, vormen kliekjes met schrijvers en hebben relaties of gaan vreemd met schrijvers. In recensies worden die vriendschappen en belangen meegewogen. Ik merkte dat sommigen bepaalde schrijvers niet mogen. Dan kondigen ze nog voor ze een boek hebben gelezen aan dat ze het slecht zullen recenseren.

‘Akyols punt dat schrijvers kliekjes vormen, bijvoorbeeld rond uitgeverij Das Mag, klopt. Daar maak ik ook onderdeel van uit. Maar dat maakt iemand die buiten Amsterdam woont en mijn boek koopt toch niet uit? Het beïnvloedt mijn werk niet. En het gekke is: Akyol beklaagt zich terecht over een klein wereldje, maar hij behoort er juist zelf toe. Toch weet hij zijn boodschap goed te verkopen. Ik schreef met IJstijd een roman over dezelfde materie, maar daarin uitte ik de kritiek iets subtieler.

‘Het is nodig dat iemand kritisch is op de literaire wereld, maar Akyol werd wel erg aangejaagd in DWDD. Hij leek steeds meer op een ongevaarlijke populist, terwijl ik het zo'n lieve jongen vind. Ik zou graag het gesprek op een dieper niveau aangaan: wat betekent literatuur, hoe verhouden schrijvers zich tot hun publiek, welke betekenis zouden ze kunnen spelen? Dat zijn terechte vragen.’

In een eerdere versie werd Maartje Wortel uitgebreider geciteerd. Sommige citaten zijn verwijderd omdat we ze niet konden verifiëren.

Meer over