SlotbeschouwingTim Fransen

Hoe hypothetisch is intelligent buitenaards leven nu eigenlijk?

null Beeld

Als laatste aflevering van zijn reeks over buitenaardse wezens (de Zorkianen) buigt filosoof Tim Fransen zich over de vraag: wat als wij het enige leven in het heelal zijn?

De afgelopen weken heb ik in de Volkskrant geprobeerd onszelf te bekijken door de ogen van hypothetische buitenaardse wezens: de Zorkianen, wezens die volkomen rationeel zijn en vol compassie. (Al bleken zij soms ook hun beperkingen te hebben. Ze kennen bijvoorbeeld geen romantische liefde of knetterkauwgom.) Laten we ter afsluiting van deze reeks eens uit dit gedachte-experiment stappen en de vraag stellen: hoe hypothetisch is intelligent buitenaards leven nou eigenlijk? Het stellen van die vraag leert ons een wijze les over hoe we onszelf het beste kunnen beschouwen.

De vraag of buitenaards leven wel of niet bestaat verdeelt de wetenschappelijke wereld in grofweg twee kampen: de ‘optimisten’ en de ‘pessimisten’. Tot voor kort waren de optimisten aan de winnende hand. Hun betoog komt hierop neer: ‘Gezien het krankzinnige aantal planeten dat alleen al in onze Melkweg bestaat – naar schatting 100 tot 400 miljard – kan het niet anders dan dat het universum wemelt van het (intelligente) leven.’

Steeds meer pessimisten brengen daar tegenin: ‘De optimisten gaan voorbij aan de omstandigheden en toevalligheden waardoor het leven op aarde heeft kunnen ontstaan. Die zijn namelijk zo ontzettend exceptioneel dat de kans aanzienlijk is dat onze blauwe bol de enige plek is in het universum die wordt bewoond door intelligente wezens, zoals wij mensen (uiteraard samen met dolfijnen, olifanten, chimpansees, varkens en, zoals ik onlangs leerde, geiten. Die laatste hebben op mij nooit een bijster intelligente indruk gemaakt, maar goed, dat dachten we ook van ‘Snollebolleke’ Rob Kemps).

null Beeld Tsjisse Talsma
Beeld Tsjisse Talsma

Zelf weet ik niet welke optie ik duizelingwekkender vind. De gedachte dat we helemaal alleen zijn in dit uitgestrekte universum komt me absurd voor. (In de woorden van Carl Sagan: ‘If it is just us, it seems like a terrible waste of space.’) Tegelijkertijd, de gedachte dat het wemelt van de intelligente levensvormen – met wie toekomstige aardbewoners misschien wel een drankje kunnen doen, zoals in dat Star Wars-café waar Han Solo rondhangt met de meest exotische wezens – komt me minstens zo absurd voor. (Wat bijdraagt aan mijn scepsis: hoe groot is de kans dat al die volstrekt verschillende wezens, met waarschijnlijk ook compleet andere zintuigen, dezelfde drankjes lekker vinden?)

Laten we eens aannemen dat we inderdaad alleen zijn. Sommige filosofen, onder wie Toby Ord, wijzen in dat geval op de kosmische betekenis van de mensheid: als de mensheid zou uitsterven, zou dat niet alleen jammer zijn voor ons, maar ook een tragedie van kosmische proporties. Dit maakt dat we een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om de toekomst van de mensheid beschermen, menen zij.

Ook ik heb de intuïtie dat er iets van onschatbare waarde verloren zou gaan als de mensheid zou verdwijnen. Toch is het nog niet makkelijk om deze intuïtie te onderbouwen. Suggereert een kosmische tragedie niet zoiets als een tragedie vanuit het perspectief van de kosmos? Die gedachte lijkt uit te lopen op een vreemd soort paradox. Want ofwel het wemelt van de intelligente levensvormen – in dat geval is de mensheid vanuit kosmisch perspectief niet van bijzonder belang – ofwel de mensheid is alleen in het universum. In dat geval is de rest van de kosmos volstrekt onverschillig. Er is niemand die onze ondergang zou kunnen betreuren.

Menselijke overschatting

Voor mij voelen praatjes over een kosmische tragedie dan ook als een typisch gevalletje van menselijke zelfoverschatting. Zoals we ooit dachten dat de aarde het middelpunt was van het universum, geloven we nu in een variant daarop die mij minstens zo arrogant overkomt: de mensheid is misschien niet het ruimtelijke middelpunt, maar toch wel het middelpunt van alle betekenis in het universum.

In zijn boek De goede voorouder waarschuwt de filosoof Roman Krznaric voor eenzelfde soort hoogmoed. (In tegenstelling tot wat zijn naam misschien doet vermoeden, komt Krznaric niet van de planeet Zork, maar uit Australië.) Hij wijst erop dat de mens zelfs in de geschiedenis van de aarde maar een bescheiden rol speelt: ‘Wij [mensen] zijn slechts figuranten die heel even op het toneel verschijnen in een verhaal dat eeuwigheden duurt.’

Toch loert in deze redenering een tegenovergesteld gevaar, namelijk dat van zelfonderschatting. Immers: de mens mag dan maar heel even op het toneel verschijnen, wie zegt dat het belang van iets valt af te meten aan de tijdsspanne waarin het bestaat? (Nee varens, daar heb je wat aan. En hoezo weten varens al miljoenen jaren te overleven op deze planeet, maar kan ik ze nog geen drie maanden in leven houden? Dit terzijde.) En bovendien: kun je niet alleen spreken van ‘een verhaal dat eeuwigheden duurt’, als er wezens bestaan die zo’n verhaal kunnen vertellen of op waarde kunnen schatten? Voor een verhaal is meer nodig dan slechts een reeks atomaire veranderingen. Zonder bewuste wezens bijvoorbeeld kan er geen sprake zijn van personages die iets beleven. En een verhaal zonder belevenissen is een verhaal dat ik niet hoef te horen. Zeker niet als het eeuwigheden duurt.

Volgens mij moeten we een houding zien te vinden ergens tussen zelfoverschatting en onverschilligheid in. Spreken van een kosmische tragedie mag dan overdreven zijn, het voorkomen van een planetaire tragedie is een ander verhaal. In dat verhaal zijn wij mensen geen figuranten, maar hebben we de hoofdrol opgeëist. Uiteindelijk is het ook Kzrnaric hierom te doen: ‘We zijn een piepklein schakeltje in de grote keten van levende organismen, dus wie zijn wij om dat allemaal met onze ecologische blindheid en dodelijke technologieën op het spel te zetten? Hebben wij dan niet een plicht, een verantwoordelijkheid ten aanzien van onze planetaire toekomst en de komende generaties mensen en andere soorten?’

Momenteel lijken we echter in de greep te worden gehouden door een combinatie van zelfoverschatting en onverschilligheid, die samenkomt in de gedachte: ‘Ach, om ons heen mogen soorten dan bij bosjes uitsterven, met ons komt het uiteindelijk wel goed.’

Elke jaar geeft een groep topwetenschappers, onder wie dertien Nobelprijswinnaars, de tijd aan op de zogenaamde Doomsday Clock. Deze symbolische klok geeft aan hoe dicht de mensheid aan de rand staat van een catastrofe die een einde maakte aan de beschaving. De tijd op die klok wordt bepaald door een organisatie die mede werd opgericht door Albert Einstein, vlak na de geboorte van de atoombom in 1945: het Bulletin of the Atomic Scientists. Zo verschoof het team op het hoogtepunt van de Koude Oorlog (1954) de wijzer naar slechts twee minuten voor twaalf. Aan het einde van de Koude Oorlog (1991) schoof de wijzer terug naar een ontspannen zeventien minuten tot middernacht.

De afgelopen jaren is de wijzer echter weer richting middernacht gekropen en staat nu zelfs het dichtst bij de twaalf ooit: slechts 100 seconden tot middernacht. Dat is nog net genoeg tijd om als niemand kijkt die laatste oliebol naar binnen te proppen. Of wat boeit het ook eigenlijk als er mensen kijken: over 100 seconden gaan we er toch allemaal aan.

null Beeld Tsjisse Talsma
Beeld Tsjisse Talsma

Vorige maand kwam het jaarlijkse rapport uit waarin de wetenschappers de stand van de wijzer toelichten. Daarin benoemen ze de drie voornaamste redenen. De eerste is de situatie omtrent kernwapens: denk aan het gevaar dat die in handen komen van schurkenstaten, het risico van ongelukken en inschattingsfouten, en een nieuwe wapenwedloop met risicovolle technologie. (Al toont het team zich opgelucht dat de nucleaire codes van Amerika niet langer in handen zijn van een ‘reality-tv-presentator’.)

De tweede is klimaatverandering. De economische herstelplannen naar aanleiding van corona leggen veel te weinig nadruk op verduurzaming, is het oordeel. Tegen het einde van 2020 hadden de G20- landen 197 miljard euro toegezegd voor het stimuleren van fossiele energie versus 131 miljard euro voor schone energie.

De derde reden is de ‘infodemic’: de zorgwerkkende trend van desinformatie, die het gevaar van de eerste twee dreigingen aanzienlijk vergroot. Ook merkt het team op dat de wereldwijde aanpak van covid-19 niet bepaald bemoedigend is. De internationale samenwerking schoot ernstig tekort, en de crisis legt een groot wantrouwen bloot in instituties als de media en de wetenschap.

De kloof tussen zo’n alarmerend rapport en de realiteit zoals de meeste mensen die beleven is groot. Wie zich bijvoorbeeld verdiept in de situatie rondom kernwapens ontdekt dat er een sterke parallel is met de huidige pandemie. Experts waarschuwen al jaren voor een potentiële ramp, maar de overgrote meerderheid van de mensheid waant zich nog altijd veilig.

De Nederlandse politiek

Ook op het gebied van het klimaat heerst een gigantische kloof tussen de reële bedreiging en ons gevoel van urgentie. De Nederlandse politiek is daar een treffende illustratie van. Neem de twee grootste partijen: de VVD en de PVV. Gelukkig slaagt de VVD er tegenwoordig beter in om hun eerdere neigingen tot klimaatontkenning te onderdrukken. (Dit was tot 2016 nog anders.) Toch spreekt het verkiezingsprogramma nog steeds over ‘drammers’ die ‘klimaatbeleid misbruiken als ideologisch instrument om mensen te betuttelen en een andere levensstijl op te dringen’. In plaats van de waarheid te spreken over de ernst van het probleem, lijkt de VVD potentiële kiezers voornamelijk gerust te willen stellen dat ze vooral kunnen blijven doen wat ze altijd al deden. (Soms kan ik het niet laten om me een VVD’er in te beelden tegen de achtergrond van een grauw postapocalyptisch decor, zijn huis en haard in de as, die tevreden bij zichzelf denkt: ‘Maar ik heb me in elk geval níét laten betuttelen!’)

De PVV bedient zich in haar verkiezingsprogramma van een aikido-achtige logica: ‘Ons Nederlandse landschap is uniek en wereldberoemd. Een landschap om zuinig op te zijn en dat onze bescherming verdient tegen het vernietigende klimaatbeleid zoals windturbines en zonneparken. CO2 is een voedingsbron voor alles wat groeit en bloeit. Klimaatbeleid, dat draait om het terugdringen van de CO2-uitstoot, heeft dan ook bar weinig te maken met natuur of milieu.’

Zo kun je het ook bekijken: CO2 is een voedingsbron voor alles wat groeit en bloeit. Op het moment dat een derde van Nederland onder water komt te liggen, zal het standpunt van de PVV vermoedelijk zijn: ‘H2O is een essentiële bouwstof voor al het leven op aarde. Het terugdringen van het water heeft dan ook bar weinig te maken met natuur of milieu.’ Je hebt helemaal gelijk, Geert. Laat je niet gek maken.

Nederland is uiteraard niet de kern van het probleem, noch de VVD of de PVV. Wel biedt de Nederlandse politiek een jammerlijke illustratie dat zelfs een van de welvarendste landen ter wereld moeilijk in staat lijkt om risico’s voor de menselijke beschaving op waarde schatten.

In De goede voorouder stelt Krznaric dat we te maken hebben met een perspectiefcrisis. Hij hekelt hierbij het destructieve kortetermijndenken. Zijn pleidooi is dat we ons zouden moeten laten leiden door de vraag: ‘Hoe kunnen wij goede voorouders zijn?’ Dit helpt ons een meer nederig, langetermijnperspectief in te nemen, waarin de existentiële bedreigingen als vanzelf meer gewicht krijgen. In elk geval meer dan wanneer we de vraag stellen: welke economische groeicijfers kunnen we dit jaar verwachten? Of: wie heeft Dion Graus nu weer aangezet tot seks met zijn vrouw?

Ook ik geloof dat we behoefte hebben aan een nieuw ethisch perspectief. Maar waar Kzrnaric de nadruk legt op latere generaties, heeft zo’n perspectief volgens mij nog een andere belangrijke taak te vervullen: het zou ons net zozeer moeten helpen om onze relatie tot elkaar anders te zien. De huidige bedreigingen vragen om collectieve actie op een schaal die in de menselijke geschiedenis nog nooit is vertoond. Welke perspectief geeft ons de beste hoop op zulke gemeenschappelijkheid?

Gemeenschappen worden verbonden door verhalen: verhalen van tegenslag en beproevingen, van (vaak verzwegen) zwarte bladzijdes en glorieuze prestaties; verhalen die tezamen een ontstaansgeschiedenis vertellen en een collectieve oriëntatie bieden ten opzichte van de toekomst. Meestal gaan deze verhalen over naties en volkeren (en sportverenigingen die bij een jubileum een boekje laten maken over ‘zeventig jaar Zwemvereniging De Badeendjes’.)

Wat ik met het gedachte-experiment met de Zorkianen heb willen laten zien: als je een beetje uitzoomt, valt er over de mensheid net zo goed een gezamenlijk verhaal te vertellen. Dat is een verhaal van een verbluffende samenloop van astronomische omstandigheden, en biologische toevalstreffers in de oorsprong van leven. Leven dat ontstaan is uit basale chemische bouwblokjes en die door een nog groter wonder van zichzelf bewust zijn geworden, tot op het punt dat in een uithoek van het kosmische Niemandsland zelfbewuste wezens een beschaving hebben voortgebracht met moderne geneeskunde, rechtssystemen, winkelcentra, sociale vangnetten, Netflix-series, ruimtevaart en warme chocolademelk met slagroom.

In zo’n verhaal zijn mensen de erfgenamen van een collectieve geschiedenis en bondgenoten in een gezamenlijke strijd tegenover existentiële bedreigingen.

Ik hoor u al denken: leuk en aardig dat de John Lennons van deze wereld liedjes zingen over ‘imagine all the people sharing all the world’, maar de realiteit wijst uit dat mensen niet in staat blijken om zichzelf als wereldgemeenschap te zien.

Mijn antwoord hierop zou zijn, samen met dat van denkers als Benedict Anderson en Yuval Noah Harari: elke gemeenschap groter dan die op dorpsniveau is noodzakelijk een ingebeelde gemeenschap. De ruim zeventien miljoen inwoners van Nederland kennen elkaar niet allemaal persoonlijk. Dat geldt temeer voor landen die nog groter zijn, zoals Amerika met haar ruim driehonderd miljoen inwoners. Hun gedeelde identiteit is gebaseerd op een mentaal construct. Anders gezegd: het berust op verbeelding. Filosofisch gezien zat die John Lennon er dus niet ver naast met z’n imagine. Onze verbeelding kijkt niet op een paar miljoen meer of minder. Waar het om gaat is dat we het juiste verhaal vertellen.

Ook de Zorkianen zijn een product van de verbeelding. Maar via de Zorkianen verbeelden we eigenlijk onszelf. Door hun ogen kunnen we ons verwonderen over de mensheid; door hun ogen kunnen we de hele aardbol en onze rol daarin in één opslag aanschouwen. Dit perspectief vertelt ons het kosmische succesverhaal van planeet Aarde, en schept helderheid over wat ons te doen staat. Het is een perspectief dat geen ruimte laat voor onverschilligheid, noch voor zelfoverschatting. Zolang we deze twee valkuilen weten te vermijden, kunnen wij, en hopelijk nog vele generaties na ons, het beschavingsproject voortzetten en verbeteren. En wie weet kunnen we dan zelfs ooit andere buitenaardse wezens in een interstellaire, Star Wars-achtige bar trakteren op warme chocomelk met slagroom. Want laten we eerlijk zijn, dat vindt iedereen lekker.

Meer over