ColumnAaf Brandt Corstius

Hoe Hans Dorrestijns gids me helpt vogelaar te worden

null Beeld

Ik heb besloten dat het tijd is om nieuwe hobby’s te cultiveren. Vroeger waren mijn hobby’s: in bomvolle cafés koffie verkeerd drinken en naar drukke bioscopen, theaters en restaurants gaan.

Kunnen we voorlopig afschrijven.

Nu heb ik bedacht dat ik twee nieuwe dingen leuk ga vinden: bodybuilden en vogels kijken. Daar heb je geen andere mensen bij nodig, alleen een stuk metaal en wat vogels.

Ik bestelde een kettlebell van acht kilo, dat is een soort massieve koeienbel. Toen hij werd bezorgd, kreeg ik het pakket amper de trap op. Dat was een goed teken. De kettlebell staat nu in een hoek van mijn huis te wachten tot ik hem weer ga optillen, maar ik ging eerst aan de slag met mijn andere nieuwe hobby: vogelen.

Daartoe had ik het boek Dorrestijns Vogelgids van Hans Dorrestijn uit de kast gepakt, want ik bleek een kast vol boeken te hebben die ik niet had gelezen. De Vogelgids is een ontzettend leuk boek. In de kantlijn staan fotootjes van vogels, en verder schrijft Dorrestijn waar hij welke vogel heeft gezien, of over iemand die toevallig Arend heet.

Dit ging me op weg helpen. Binnenkort zou ik met een verrekijker rondlopen bij het krieken van de dag (of juist in de schemering, dat moest ik nog even uitzoeken), en ingehouden kreetjes slaken omdat ik een smient had gezien, of een kuifduiker. (Hier geen brieven over sturen, ik weet nog niet of ik die ooit ga zien of dat ze bijvoorbeeld alleen in Guatemala te spotten zijn. Ik ben een beginner. Ik heb nog niet eens de theorie rond.)

Bij het lezen genoot ik vooral van wat Dorrestijn allemaal overdacht op de uitstapjes die hij maakte om vogels te zien. Ik herkende me in veel – zijn onvermogen om auto te rijden en plaatsnamen te onthouden, en zijn neurose om overal te vroeg aan te komen. Ook fijn: passages over de vraag of hij wel of niet zou meegaan op een vogelexpeditie in een moeras op een regenachtige dag, waarna hij zichzelf toesprak met: ‘Je bent oud en veel kansen om door een moeras te trekken, zullen je niet meer geboden worden!’

Ik merkte dat ik steeds sneller door het boek begon te bladeren, op zoek naar meer van dit soort gedenk, en naar Dorrestijns omschrijvingen van de mensen op zijn vogelreizen. Zo was er een reisgenoot in Hongarije die Lydia heette en die hij als volgt beschreef: ‘De ene dag zag ze eruit als een verregend stokstaartje en de dag erop leek ze een diva.’ Snel, snel doorbladeren om te lezen waar hij zich aan ergerde bij de reisleider. Dat was gelukkig veel. Over de vogels las ik steeds minder. Of eerlijk gezegd niets meer.

Was ik toch weer met mensen bezig. Dat mag niet!

Meer over