VerslaggeverscolumnToine Heijmans

Hoe de pandemie tienduizenden zeelui gevangen houdt

null Beeld

De lockdown is compleet, maar dat was allang zo op de oceaan: daar wachten tienduizenden zeelui op de dag dat ze weer aan wal mogen. Ze zijn onzichtbaar en komen vaak uit verre landen, daarom hoor je er weinig over, ze zijn de raderen van de goederenstroom die iedereen voor lief neemt. Ook de Kerst brengen ze door in hun drijvende gevangenissen en voor sommigen is dat de tweede keer.

Kapitein Kees Wiersum zoekt houvast op de brug als we via onvaste verbindingen bellen; hij heeft een verontrustend schema. Vertrokken uit Port Angeles (Washington) navigeert hij over een wilde zee naar Nanjing, ‘een oversteekje’ in de wintertijd, met een verwachte aankomst op Oudejaarsdag. Dan Rusland en daarna Korea, en al die havens zijn of gaan op slot – het is de vraag of hij zijn 40-jarig huwelijk thuis kan vieren. Dat is in februari.

Vervelend. Maar vervelender is het als je een matroos uit de Filipijnen bent met een tienmaandscontract dat allang is uitgediend, en nergens meer van boord mag, laat staan naar huis. Kees’ bemanning telt twintig koppen en veertien zijn Filipijns. ‘En de havens werken door alsof er niks aan de hand is, 24/7, daar wordt gewoon de normale druk gezet op de schepen. Het is maandenlang werken, werken, werken; nergens kun je meer een boodschap doen, een biertje halen of gewoon een wandeling maken. Eigenlijk zijn we opgesloten.’

Kapitein Kees Wiersum. Beeld
Kapitein Kees Wiersum.

Met het tijdelijk wijken van het virus leken de ergste aflossingsproblemen verholpen, maar nu breken de tweede en de derde golf aan. ‘Korea gaat dicht, China en Hong Kong waren al dicht, Australië is dicht... het is heel moeilijk om nog van bemanning te wisselen.’ En de zeelui hebben geen keus, ‘voor hen tien anderen, ze onderhouden hele families aan de wal.’ Zijn reder probeert ze te helpen waar het kan, maar Kees weet ook van contracten met de bepaling dat iedereen aan boord moet blijven, ‘dat mag niet eens en toch gebeurt het’.

En niemand die het ziet.

Out of sight, out of mind’, zegt Joselito Pedaria vanuit Cebu op de Filipijnen, waar hij als vakbondsman zeevarenden bijstaat. Op de oceanen werken 200 duizend man, schat hij, die door een andere 200 duizend moeten worden afgelost - een drijvende stad. ‘Normale mensen op land weten dat niet, voor hen is het geen probleem.’

Het probleem van normale mensen op land is dat ze hun kerstcadeaus een dag te laat bezorgd krijgen, zeg ik, en Joselito grimlacht. ‘De bemanningen blijven werken aan boord, daarom kunnen de mensen op de wal thuis blijven tijdens deze pandemie. Ik zou willen dat ze dat begrepen.’

Zwareladingschip Pauwgracht. Beeld
Zwareladingschip Pauwgracht.

De meesten komen uit de Filipijnen, Sri Lanka, Bangladesh of Oekraïne – ‘veel, niet allemaal, zijn bang om te klagen omdat ze aan de lange termijn denken, aan hun baan en inkomen’. Daarom ook laten ze het praten met de krant liever over aan hun kapitein. De Verenigde Naties roepen op om de zeelui tot ‘key workers’ te verklaren, opdat ze vrijgeleide krijgen, ‘maar de nationale overheden reageren traag’. Hij kent matrozen die nu al negentien maanden aan boord doorbrengen.

Om de zeevaart zweemt nog steeds de romantiek van Jan de Hartog (al was zijn Hollands Glorie ook een aanklacht tegen uitbuiting), van Jan Jacob Slauerhoff, de scheepsarts die de tijd had zijn lente-eiland te ontdekken, en van Biesheuvel, ’s nachts tegen de reling hangend in Brommer op zee. Maar wie nu nog gaat varen, zegt kapitein Joris van Vuuren, ‘moet er echt van houden’, of uit een land komen waar nauwelijks wat te verdienen valt.

Als hij de satelliettelefoon opneemt, staat Joris op de brug van zwareladingschip Pauwgracht, onderweg van Zhangjiagang naar New Orleans. Kalme zee, zonnig weer, maar ook hij heeft zorgen over de bemanning: achttien man waarvan elf Filipijns, ‘een groepje zit hier al bijna een jaar aan boord. Die mannen komen vragen: nou kaptein, kunnen we naar huis, en het erge is: ik kan geen datum noemen. Nog zes weken, nog acht weken...er is niets waarop ze zich kunnen richten.’

Kapitein Joris van Vuuren, in New Orleans. Beeld
Kapitein Joris van Vuuren, in New Orleans.

In de jaren van zijn zeemanschap, een half leven, is het vak al zo veranderd: vrijuit passagieren is er nauwelijks nog bij. De schema’s zijn strak, en sinds 9/11 blijven bemanningen langer aan boord. ‘Er was al sprake van een soort lockdown’, zegt hij, en nu worden zeelui als coronagevaar gezien, ook al zijn ze continu in quarantaine.

‘De scheepvaart is sowieso uit zicht gedreven. Er was een tijd dat iedereen wel een verre oom had op zee, nou, dat is voorbij.’

Zo schuiven al die schepen als schimmen over de wereldzeeën, ten dienste van een onstilbare economie. ‘Alleen de havens zijn ons trouw’, dichtte Slauerhoff, maar ook die waarheid is met de tijd vergaan.

Meer over