ColumnSheila Sitalsing

Hoe de kreet ‘21.500 Afghanen!’ van verzinsel tot feit werd verheven

null Beeld

Onder bewindslieden die iets stoms hebben gedaan, of iets onvergeeflijks met grote en ernstige gevolgen, heeft het woord ‘feitenrelaas’ een sinistere ­bijklank. Vaak gaat het zo: ijverige medewerkers hebben geholpen om de blunders en de slachtoffers van de ­minister te begraven onder een dekbed van leugentjes. Uit de kluwen steekt nog een ledemaat. Waarop een achterdochtige parlementariër een overzicht eist van wie wanneer wat heeft gedaan. Eerlijk en volledig is zo’n documentje zelden, soms staan er verdomd weinig feiten in. Vaak volgt een hindernisbaan van nieuwe vragen en van nieuwe feiten achter nieuwe rookgordijnen die opgetrokken zijn uit partijpolitiek, kleinzieligheid en angst voor verlies van het pluche. Het risico van struikelen is nooit ver weg. De feiten zijn dan allang ondergesneeuwd.

Toen Geert Wilders dinsdagmiddag ‘21.500 Afghanen en het worden er veel meer! Waanzin!’ twitterde en duizenden het hem geschokt nazeiden, wist je: ministeries in het nauw hebben geleerd om de smerigste dingen uit te halen met feitenverslagen.

Ditmaal moest er een tijdlijn komen van de aftocht uit ­Afghanistan. Namens de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van asielzaken. Met antwoorden op de vraag hoe het in godsnaam mogelijk is dat ­Nederland andermaal geen basale bescherming kon of wilde bieden aan mensen die in vijandig gebied voor Nederland ­hebben gewerkt en daardoor in levensgevaar zijn geraakt.

Die antwoorden zijn er niet, of half. Bepaalde informatie – dat Frankrijk al in het voorjaar plannen trof voor grootscheepse evacuaties van Afghaans personeel die zo niet-geheim waren dat ze in de pers kwamen, bijvoorbeeld, ruim voordat Ank Bijleveld hier nog oreerde over hete soep – is ­weggelaten uit het feitenrelaas. Misschien was er geen plek meer voor.

Er was ook geen plek voor een feitelijke alinea over het ­aantal Afghanen dat nog op evacuatie wacht. Simpel: hoeveel Afghaanse tolken, beveiligers, medewerkers van hulporganisaties en fixers van journalisten zijn achtergebleven, terwijl hun een veilige aftocht naar Nederland is toegezegd. Die alinea had kort gekund: ‘Geen flauw idee, we hebben nog steeds geen volledige lijsten, we worstelen ons door mails heen, het kunnen veel zijn, het kunnen weinig zijn.’

Waar wel plek voor was: voor suggesties over massa’s Afghanen die onze kusten zullen bestormen als we niet uitkijken. Waar wel plek voor was: voor de suggestie dat 21.512 mails die zijn verzonden door Afghanen ‘elk betrekking kunnen hebben op een of meerdere personen. Het aantal mensen (...) is dus aanzienlijk groter dan het aantal mails zelf.’ Zo werd ‘21.500 Afghanen!’ een feit.

Het is een conclusie die elk fundament mist – het aantal ­serieuze aanvragen is niet geteld en het is waarschijnlijk dat er talrijke dubbeltellingen tussen zitten van mensen die elke dag mailen. Het is ook een conclusie die elk draagvlak ondermijnt, onrust zaait en het kabinet de ruimte geeft zich onder de opdracht van het parlement uit te wriemelen om Afghaanse oud-medewerkers royale toegang te verschaffen. Want in het kabinet lezen ze ook De T., die vorige week al in zijn mooiste lettertype STORMLOOP AFGHANEN op de voorpagina had geschilderd.

Woensdag voerde Arnout Brouwers in de Volkskrant hulp­organisaties op die constateren dat in de commotie ‘de echte vraag – hoe deze mensen in nood te helpen – ondersneeuwt’.

Misschien is het per ongeluk. Misschien is het tactiek.

Meer over