COLUMNEva Hoeke

Het wonderlijkst is nog wel hoe snel je je neerlegt bij de nieuwe orde

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Met de nieuwe ‘één persoon per dag’-maatregel was mijn moeder, 69 jaar en in september voor de tweede keer weduwe geworden, in de kaf­kaëske situatie terecht gekomen dat ze niet langer bevriende echtparen mocht ontvangen, maar zij nog wel naar hén toe mocht. ‘Kijk, dat is dan weer het voordeel van dat Opa Ben er niet meer is’, zei ik in een poging tot humor.

Zelf klaagde ze niet, ze klaagt nooit, nee hoor, ik vermaak me best, maar ik kon me de dagen in het huis op de Dorpsstraat wel zo’n beetje voorstellen. Veel kranten lezen, een van zichzelf en een van de buren, af en toe een blokje om, kruiswoordpuzzels, een Jan van Haasteren van duizend stukjes op tafel. Een keer iemand bellen, zelf gebeld worden. ’s Middags alvast de aardappels schillen zodat ze om vijf uur schaatsen kon kijken. Amerikaanse inauguratie, ook goed. Wijn inschenken, recept uit een blaadje, de moed erin houden. Nadenken over een goed leven versus een lang leven. En dan maar weer naar bed. Een keer fietste ik ’s avonds langs haar huis en zag ik haar zitten, een figuur alleen aan tafel, ik was niet voorbereid geweest op het gevoel dat me overspoelde.

Mij helpen, dat deed ze ook.

Sinds de Man druk was met een televisieprogramma runde ik de boel hier thuis min of meer in mijn uppie, van zeven tot zeven en geen speld ertussen, en er waren momenten bij dat ik ernaar snakte om alleen zijn. Geen kinderen, geen man, geen boe of bah, helemaal niks, gewoon, alleen eten, alleen op de bank, alleen naar bed en daarna alleen weer op. Hoe hard ik ook mijn best deed om me te herinneren hoe ik die zeeën van tijd vroeger had ingevuld, ik wist het niet meer. Uitslapen? Hangen? Las ik toen wel de boeken waar ik nu niet aan toe kwam? Nee, niet eens, want ik dronk veel meer en drinken kost tijd, tijd waarvan je later spijt kreeg dat je het allemaal had verbeuzeld. Nu zou ik er wat voor geven, maar met de komst van de derde was ook die weg afgesloten, en wat ik miste was niet zozeer de primitieve pijnstilling als wel de onvoorspelbaarheid, de mógelijkheid van een avond die zomaar uit de hand kon lopen. In plaats daarvan regen de dagen zich aan elkaar, soms prettig, soms saai, vaak vanzelf. Misschien was dat nog wel het wonderlijkst, hoe snel je je neerlegde bij de nieuwe orde. Horeca dicht? Komt wel weer. Mondkap op? Geen probleem. Avondklok? Wat moet, dat moet. En dan nu deze regeling, het ‘nog maar één gast per dag’-besluit, een nieuwe wal die ons verder terugdrong in onze toch al zo karige levens.

Daarom was de sneeuw zo’n perfect cadeau geweest.

Eén middag viel-ie maar, in het verre noorden zouden ze erom lachen, maar hier was het genoeg.

Over een jaar zou ik het filmpje terugkijken op mijn telefoon en zien hoe de Dochters één voor één sneeuwballen tegen het zijraam van ons huis gooiden, dubbelklappend van de pret, hun gegier hoorbaar door de muur van waarachter ik stond te filmen. Ik zou de muziek horen die uit de keukenradio kwam, even blijven hangen bij de paarse tulpen op de tafel en daarna weer terugschakelen naar de kinderen, die gehuld in wanten en tutu’s juichend terugrenden naar hun hofleverancier, een vrouw van 69 op wandelschoenen die verse sneeuw van de autodaken schraapte en sneeuwballen zo groot als meloenen maakte, voor heel even kind onder de kinderen, zonder wal, zonder regels, zonder zorgen.

Net echt.

Meer over