ColumnAleid Truijens

Het vrije woord en het recht niet gekwetst te worden, die twee mengen niet lekker

null Beeld

Het was een droevig groepje, afgelopen zaterdag in Blois aan de Loire. Op de Place de la République zaten ze onder de lijst oorlogsdoden en de wapperende Franse vlag. Ze hielden spandoeken met ‘NON AU PASS’ en ‘STOP A LA DICTATURE’ omhoog. Ze zagen er flets en broos uit, deze zeventigers met hun pluizige haar, doorrookte gezichten, de ruggen krom onder versleten rugzakken. Grijze, maar niet moegestreden vogels. Dit was nu hun fort, hun laatste: de door de almachtige staat oplegde bijna-vaccinatiedwang. ‘Vive la Liberté!’ Hun stemmen klonken dun.

Wij zaten, volgevaccineerd, te kijken op een terras, na gedwee onze pass sanitaire te hebben getoond. Het waren onmiskenbaar oudgedienden van mei ’68. Bejaarde versies van knappe, interessante mannen als Cohn-Bendit en Régis Debray en de naamloze meisjes die devoot naar hen opkeken. Als studenten gingen ze in Parijs de straat op, wierpen het establishment omver en stelden hun verbeelding aan de macht. Nou ja, voor eventjes. Nog steeds droegen ze metalen brilletjes, espadrilles en derdewereldsjaals. Nergens zien oude intellectuelen er zo rolvast uit als in Frankrijk. Als jullie maar geen corona krijgen, dacht ik. Ook in Frankrijk viert de deltavariant feest.

Ik voelde medelijden en een oude vlaag bewondering. Dit waren niet precies mijn helden, want dan moest je ook Sartre, Foucault, Derrida en andere saaie en onbegrijpelijke mannen echt lezen – niks voor mijn slag hippies. Ik was pas 12 in 1968. Toch werden het bewonderde voorbeelden. Vrijheid in denken, zeggen, schrijven en doen voor iedereen, wie wil dat nu niet?

De wereld werd geen Utopia. Dat we nog altijd leven in een ‘maatschappelijk landschap waarin witte, heteroseksuele mannen (…) de meeste macht hebben en seksisme en racisme nog lang niet zijn uitgebannen’, daarin heeft Esma Linnemann (de Volkskrant, 28 augustus) groot gelijk. Dat besef zou best eens breder mogen doordringen. En dat je ‘niks meer mag zeggen tegenwoordig’ is inderdaad onzin. Toch gaat het mij te ver om van oude rebellen te eisen dat ze begrip tonen voor de nieuwe lichting. Je mag het, ook al sta je allemaal ‘een leukere wereld’ voor, toch hartgrondig oneens zijn over de manier waarop? Voor de ene groep is het vrije woord het hoogste goed, voor de andere het recht om niet gekwetst te worden. Die twee mengen niet lekker. Al kun je ook overeenkomsten zoeken: het recht van de een om zorgeloos non-binair te zijn is even groot als het recht van de ander om daar grapjes over te maken.

Ik begrijp de irritatie over de cancelcultuur, de ‘woke-terreur’ en de ‘taalpolitie’ ietsje beter dan de woede over kwetsende taal en de zucht om mensen aan de publieke schandpaal te nagelen. Vast een generatiekwestie. Ik ben ervan overtuigd dat het ook niet helpt, die jacht op foute taal en het creëren van nieuwe taboes. Woorden veranderen de hardnekkige werkelijkheid niet.

Wat me tegenstaat in zowel de oude strijders als de nieuwe, is dat hun idealen zo individualistisch zijn geworden, precies zoals de neoliberalen willen. Het is míjn recht om ongevaccineerd te zijn, míjn vrijheid om dit te roepen. Míjn recht om mijn hyperindivueelste ik te beleven, qua geslacht en seksuele voorkeur. Intussen zijn er in de wereld veel plaatsen waar wat je schrijft, of wat je in bed uitspookt, je werkelijk het leven kan kosten. Voor veel Nederlandse jongeren zijn er dringender problemen dan gender: het veroveren van een plaats op de woningmarkt bijvoorbeeld, of het voorkomen van armoede. Genoeg te doen voor nieuwe rebellen.

Meer over