Essay

Het normerende ‘normaal’ bestaat niet, hoezeer Mark Rutte zich daar ook voor heeft ingespannen

null Beeld Francesco Ciccolella
Beeld Francesco Ciccolella

Het woord ligt op ieders lippen bestorven, maar iedereen verstaat er iets anders onder. ‘Normaal’ zou moeten uitdrukken waarover we het eens zijn, maar er gaat juist een veelheid aan uiteenlopende normen en smaken achter schuil. Normaal betekent dus eigenlijk niets.

Het was een leerrijke ervaring, op de Haarlemse Fonteinlaan tijdens een van die abnormaal warme februaridagen die tot het nieuwe klimaatnormaal zouden gaan behoren. In de berm scharrelde ik met een afvalgrijper tussen lege blikjes energydrink, lege sigarettenverpakkingen en mondkapjes – een nieuw vast bestanddeel van zwerfvuil. Dat vuilrapen is in beginsel een rustgevende bezigheid, waarmee je het nuttige met het aangename probeert te verenigen. Toch vraag je je al doende weleens af van wie die rommel afkomstig is en of de veroorzakers überhaupt nadenken bij wat ze doen. Eén ding staat vast: hún normaal is niet het mijne.

Dat gold ook voor het normaal van de motorrijder die ik al van verre had horen naderen, en die nu – knetterend en ronkend – voor het rode stoplicht wachtte. De berijder volgde mijn werkzaamheden, knikte goedkeurend, schoof het venster van de integraalhelm omhoog – waardoor ik kon vaststellen dat de berijder een vrouw was – en zei: ‘Goed bezig!’ Als aanvullende blijk van instemming ging haar duim omhoog. Soms, als ik daar gelegenheid voor krijg en als ik er zin in heb, stel ik motorrijders een kritische vraag over hun lawaaiige liefhebberij, maar nu zag ik daar maar van af omdat ik het niet aardig vond om vriendelijkheid met een onvriendelijke opmerking te beantwoorden. Ik lachte dus maar terug.

Wat zo leerrijk was aan die ervaring? Dat iemand die naar mijn smaak iets volkomen abnormaals doet – voor het private genot een bak herrie produceren – wel degelijk vriendelijk kan zijn, en ook nog eens oog heeft voor de abnormaliteit van zwerfvuil in de berm van de Fonteinlaan. Zo heb ik haar vluchtige blijk van goedkeuring tenminste maar opgevat. Met andere woorden: de kwalificatie ‘normaal’ ligt op ieders lippen bestorven, maar iedereen lijkt er iets anders onder te verstaan.

Opportunistische invulling

In normaliteit zouden collectieve normen zijn vastgelegd, maar iedereen lijkt er een eigen, opportunistische invulling aan te geven: normaal is wat mij goed uitkomt. Normaliteit is geen ijkpunt, maar eerder een lappendeken aan uiteenlopende normen en smaken. De een hanteert een normaliteit die de ander achterhaald acht. Voor de motorrijder is het produceren van herrie volstrekt normaal, voor de mensen die hun herrie moeten verdragen, is het allesbehalve normaal. Volstrekt idioot zelfs.

Dat het normaal van de een niet het normaal van de ander is, kan worden opgemaakt uit bijna elk media-optreden van Thierry Baudet. Zoals vorige week zaterdag, toen hij in Nieuwsuur werd geïnterviewd door Mariëlle Tweebeeke. Baudet zei dat hij ‘een normaal soort politicus’ wil zijn, maar dat journalisten proberen hem ‘zo slecht mogelijk te begrijpen’, waardoor hij in de beeldvorming minder normaal is dan hij zou willen zijn. ‘Maar ik praat niet anders dan 90 procent van de mensen als ze een normaal gesprek voeren.’

Normaal. Daar gaat het ook om in de verkiezingscampagnes. Normaal als bijvoeglijk naamwoord of als zelfstandig naamwoord. Terwijl minister Hugo de Jonge ons al enige tijd een terugkeer naar het oude normaal in het vooruitzicht stelt, zei Sigrid Kaag, lijsttrekker van D66, onlangs in talkshow M: ‘Terug naar het oude normaal? Alsjeblieft niet.’ Haar collega-lijsttrekker Lilianne Ploumen (PvdA) voert campagne met de leus ‘Een beter normaal’. Jesse Klaver, aanvoerder van GroenLinks, zei in een interview het niet normaal te vinden ‘dat zoveel mensen sterven aan luchtverontreiniging’, maar refereerde daarmee niet aan het bestaande normaal, maar aan het gewenste normaal. Wopke Hoekstra (CDA) spiegelde zich tijdens het recente COC-debat (over de positie van lhbti’ers in de samenleving) juist aan een verdwenen normaal: ‘Dingen die tien jaar geleden heel normaal waren, zijn onder druk komen te staan.’

Hun gemis aan intrinsieke betekenis ten spijt, worden de begrippen normaal en normaliteit naar hartelust gebezigd. En wie zich afvraagt of de normale (gemiddelde) Nederlander wel bestaat, zoals koningin Máxima ooit op goede gronden heeft gedaan, oogst brede afkeuring. Eensgezind wordt de fictie van de normale Nederlander in stand gehouden, ook al verstaat iedereen daar iets anders onder. De enige normaliteit die (vrijwel) algemeen wordt aanvaard, en die betrekkelijk duurzaam is, dient het lijfsbehoud. Rechts houden in het verkeer, niet door rood rijden: gedragsregels die uitdrukking geven aan ‘ons streven de mate van onvoorspelbaarheid te verkleinen’, zoals de taalkundige Dolf Hartveldt het uitdrukte in zijn studie Normaal. Maar de normaliteit wordt flexibeler naarmate ze meer betrekking heeft op conventies en omgangsvormen.

Om aan te geven hoe groot die marges zijn, verzamelde Hartveldt vijftig woorden waarin de Nederlandse normaliteit is vastgelegd, maar die toch een zeer uiteenlopende ‘gevoelstemperatuur’ kunnen hebben. ‘Vijftig Nederlandse normen in 1.001 tinten’, luidde dan ook de subtitel van zijn essay. Neem een normerend woord als eerlijkheid. Een deugd onder alle omstandigheden, zou je zeggen. Maar er zijn omstandigheden denkbaar waaronder eerlijkheid kwetsend kan zijn, en dus beter kan worden vermeden. In de context van de politiek is eerlijkheid helemaal een glibberig begrip. Een politicus die het eerlijke verhaal vertelt, suggereert daarmee dat zijn tegenstrevers dit nalaten. ‘Als een politicus zegt: ‘om u heel eerlijk de waarheid te zeggen’, dan weet een doorgewinterde luisteraar dat er iets komt dat de spreker op dat ogenblik goed uitkomt, maar dat hooguit in de verte iets met eerlijkheid te maken heeft, laat staan met de waarheid’, schreef Hartveldt.

Betrouwbaarheid is ook zo’n woord. ‘Net als bij eerlijkheid is de werkelijke norm niet dat je altijd en in alle omstandigheden trouw en betrouwbaar moet zijn. Befehl is niet altijd Befehl. Er zijn grenzen aan de trouw, met name als er opdrachten worden gegeven of eisen worden gesteld die in strijd zijn met andere normen als rechtvaardigheid, tolerantie, matigheid, enz.’ Of authenticiteit: die kan zowel de vorm aannemen van een rumoerige ‘ongekunsteldheid’ als van saaiheid (of wat daarvoor doorgaat). Matigheid kan met ingetogenheid worden geassocieerd, maar ook met vrekkigheid. Trots, in de zin van onbuigzaamheid, had in christelijke culturen lange tijd de (negatieve) gevoelswaarde van hooghartigheid of onwil om je aan God te onderwerpen.

De normaliteit is dus plooibaar en golft mee met de tijd. Soms (of meestal) noemen we dat vooruitgang, bijvoorbeeld dat we bij de nadering van een stad geen galgenveld meer aantreffen. En soms noemen we dat regressie, bijvoorbeeld als het gaat om de teloorgang van burenhulp of van het spreekwoordelijke touwtje uit de brievenbus. Maar zelfs in die gevallen zijn de deugden van vroeger maar heel betrekkelijk. Het touwtje hing vroeger uit de brievenbus omdat er binnen niets te halen viel en omdat moeder de hele dag in de keuken stond, zei de vroegere SCP-directeur Paul Schnabel over onze neiging het verleden te idealiseren. Zoals we bij films die zijn gesitueerd in voorbije eeuwen niet de stank van open riolen meekrijgen, zo geven de beelden van het gedroomde verleden niet de benauwenis weer van de sociale conventies en de alomtegenwoordige schraalheid.

Momenteel lees ik de briefwisseling tussen mijn (overleden) ouders in de vroege jaren vijftig. Daarin is de idylle vervat van zeiltochten op stille plassen, dejeuners, ‘limonadefuifjes’ aan de waterkant, ‘mieters’ als gangbare uitdrukking, en dierenartsen (de beroepsgroep waartoe mijn vader behoorde) die anderhalf uur spendeerden aan de operatie van een twee weken oud biggetje waarbij de endeldarm ontbrak – gadegeslagen door een menigte boeren.

Tezelfdertijd gaf, met name, mijn moeder uitdrukking aan haar gevoelens van beklemming over een zeer geregelde kerkgang, de schijnwereld die haar ouders naar buiten toe ophielden, buren die elkaar van achter de velours gordijnen begluurden, en het schrikbeeld van de ‘ouwe vrijster’ waardoor vriendinnen op huwbare leeftijd bevangen raakten. De brieven roepen soms het verlangen op naar de ‘onbedorven’ wereld van de jaren vijftig – die zo kort na de Tweede Wereldoorlog en de Shoah natuurlijk niet zo onbedorven kon zijn geweest – maar ook afkeer van de normen die zo sterk bepalend waren voor het doen en laten van de toen levende mensen. In die zin moet die tijd een veel zwaarder stempel op hen hebben gedrukt dan onze tijd op ons. Simpelweg omdat de normaliteit van toen eenduidiger en dwingender was dan het mozaïek aan hedendaagse normen.

Harmonie

In Nederland, en niet alleen daar, bestaan vele normalen naast elkaar – en lang niet altijd in harmonie. Het normaal van vluchtige groepscodes. Het normaal van lager opgeleiden en het normaal van hoger opgeleiden. Mijn normaal en het normaal van mijn buurman. Het achterhaalde normaal van poep op de stoep, grappen die buiten de voetbalkantine echt niet meer kunnen, negerzoenen en jodenkoeken (die inmiddels dan ook niet meer zo heten). Dan heb je nog het bijna achterhaalde normaal van roken, kiloknallers en hout stoken in de open haard. De vraag is of Zwarte Piet ook tot die categorie behoort. Volgens de tegenstander behoort die allang tot het achterhaalde normaal. Volgens de voorstanders is hij nog onverkort onderdeel van het normale normaal.

Het interessantst, zeker in verkiezingstijd, is het normaal dat ter discussie wordt gesteld. Het normaal waarvan sommigen hopen dat het binnenkort een achterhaald normaal zal zijn. Het nieuwe normaal van verplichte mondkapjes en andere coronamaatregelen waarvan de tegenstanders vrezen dat het ooit het gewone normaal zal worden. Het normaal van heen en weer vliegen naar Chicago voor een meeting, of van budgetvluchten naar bestemmingen die ook per trein te bereiken zijn. Het normaal van hoofddoekjes en van Grondwetsartikel 23. Of het (veronderstelde) normaal van abortus, euthanasie en homohuwelijk. Omgekeerd spannen meerdere politici, onder wie premier Mark Rutte, zich in voor de normalisering van kernenergie – die eerder met vereende krachten taboe was verklaard.

Het normerende normaal bestaat dus niet. Hoezeer Mark Rutte zich daar bij de verkiezingscampagne van 2017 (die hij voerde met de leuze: ‘Normaal. Doen.’) ook voor heeft ingespannen. Het heeft even weinig betekenis als ‘kleur’, dat zowel rood, geel als blauw – en alle tinten daartussen – kan zijn.

Dit neemt niet weg dat er één normaal is waarvan ik mijzelf al jaren afvraag hoe het in godsnaam mogelijk is dat het kennelijk normaal wordt gevonden: de herrie van een grote categorie motorrijders. De diepe, lage klappen van de zogenoemde big twins, en het scherpe, ver dragende geluid van offroadmotoren: ze dienen geen ander doel dan de particuliere lol van de berijders. Het geklaag erover onder bewoners van streken die op zonnige dagen massaal door motorrijders worden bezocht, is onderhand even onlosmakelijk verbonden met het voorjaar als de motorherrie zelf.

Toch krijgt het thema hoegenaamd geen aandacht. Niet van politieke partijen – ook niet van de partijen die wel begaan zijn met andere vormen van geluidsoverlast. Niet van de politie, die motorrijders in de waan laat dat ze in hun goddelijke recht staan als ze de wijde omtrek akoestisch vervuilen. Laat staan de milieuorganisaties, die niet hebben kunnen verhinderen dat motoren zijn vrijgesteld van de verplichting, vastgelegd in het Klimaatakkoord, om alle ‘gemotoriseerde tweewielers’ op termijn emissievrij – dus geluidsarm – te maken.

Naar hartelust lawaai maken in een overvol land met schaarse openbare ruimte? Het mág dus gewoon. De meeste motorrijders gedragen zich daar dan ook naar. Ook de motorrijdster op de Fonteinlaan in Haarlem die knetterend haar rit hervatte nadat ze mijn groet had beantwoord. Tien jaar geleden dacht ik nog: over twintig jaar vinden we het héél gek dat we dit ooit normaal hebben gevonden. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van.

Meer over