ColumnSylvia Witteman

Het lichtje in mijn kleine ijskastje schijnt als de ster van Bethlehem

null Beeld

Aan Sinterklaas had ik een nieuwe ijskast gevraagd, want de oude, een kreng met een merknaam als een Duitse kampbeul, lekte en ijzelde op plekken waar dat niet hoorde. Ik had geen zin om het zelf te regelen, want ik voorzag Gedoe. Die kampbeul zit al tien jaar naadloos vast in een speciaal voor hem gebouwde kast, en dan moet je dus maar zien dat je er precies zo een krijgt, qua afmetingen dan, niet qua lekken en ijzelen.

‘Komt voor elkaar’, zei huisgenoot Sint. ‘Hij wordt morgen gebracht.’ Fijn! Ik zat klaar met koffie en een gezinspot Completa, en ja hoor, daar waren de inbouwers, die geen koffie bliefden, maar wél constateerden dat die nieuwe ijskast ‘niet ging passen’ en dat het ‘sowieso rare maten waren’.

Daar had je het gesodemieter al, maar niet getreurd: de inbouwers ‘keken even met mevrouw mee’ en wezen met hun eerlijke werkmansvingers een passende ijskast aan op mijn iPad. Dat werd dan wel volgende week, natuurlijk. Geen probleem, ruim op tijd voor Kerstmis, want dan moest dat ding een half hert behelzen.

De week vloog voorbij, en daar waren de inbouwers weer. Andere inbouwers, maar minstens even voortvarend. Ze schroefden de kampbeul los en droegen hem naar buiten. De achtergebleven inbouwer greep zijn trouwe meetlint en constateerde laconiek dat ook déze nieuwe ijskast er niet in zou passen. ‘Goh, zei mijn collega dat? Wat een mafklapper, mevrouw, mag ik even meekijken op uw iPad? Déze moet u hebben. Nee, dat wordt dan wel januari.’

Mijn katten slopen angstig rond die lege nis. De inbouwer vond dat er ‘ergere dingen’ waren, al waagde hij zich niet aan een opsomming. Kon ik dan zolang de kampbeul terugkrijgen? Nee, die was al afgevoerd naar de eeuwige ijsvelden. Zijn hele inhoud, inclusief diepgevroren mantelzorgsoep lag op het balkon in de lauwe regen.

13 graden, een prima temperatuur voor een kersthert, dat wil zeggen, zolang dat hert nog leeft, quod non. ‘Zeg, ik lig hier te ontdooien’, lispelde de soep. Nou ja, wat doet een mens dan? Een mens ‘drinkt een borrel bij een passend lied’ en bestelt ‘zolang’ een piepklein ijskastje dat nog dezelfde dag geleverd kan worden.

Daar staat hij nu, dat kleintje, in die grote, holle nis als het kindeke in zijn kribje. Telkens als ik zijn deurtje opendoe schijnt zijn lampje als de ster van Bethlehem. De katten liggen er spinnend naast als de os en de ezel. Vrede op aarde.

(Het is inmiddels op mijn balkon even koud als in dat kleine ijskastje. Waar dat hert trouwens niet in past. Maar daar gaat het nu even niet om.)

Meer over