ColumnSheila Sitalsing

Het kan, Nederland zonder laaggeletterden. We moeten het gewoon willen

null Beeld

De mooiste omschrijving van hoe het is om moeite te hebben met lezen en schrijven, vond ik in een lief boekje uit 2010. Het heet Brieven aan de prinses en er staan korte teksten in van voormalige laaggeletterden die proberen te verwoorden hoe het was, voordat ze konden lezen en erna. Bert Derks schrijft erin dat hij de reclames op straat vaak niet ziet – ‘dat komt: je doet er te lang over om het te spellen’ – en dat hij bij het schrijven soms de juiste letters niet kan vinden. En dan volgt een alinea waar menig aanstormend talent met een uitgeverscontract op zak jaloers op zal zijn: ‘Het is net alsof het alfabet een kippenhok is met alle letters als kippen op een rij. Als de kippen stilzitten kun je de letters vinden. Als je een woord wilt schrijven, komt er een vos in het hok en het hele alfabet is door elkaar.’

Tussen dit boekje en nu is er veel veranderd en tegelijk niks veranderd.

Veel, omdat er veel meer wordt gesproken over laaggeletterdheid dan tien jaar geleden. (Vooral deze week omdat het de week van lezen en schrijven is en daarom aardige mensen als Dick Voogd, voorheen laaggeletterd tuinder en tegenwoordig beroemd taalambassadeur en dichter, weer op televisie komen.) Het woord vond zijn weg naar regeerakkoorden; het haalde zelfs de opzet tot aanzet voor een voorzet van Kaag/Rutte. Iedereen van enig belang die een spreekbeurt moet houden, begint tegenwoordig over kloven en ongelijkheid en meritocratie en achterstelling en dat het niet zou moeten mogen dat zoveel mensen niet kunnen meekomen in dit land.

Toen de Stichting Lezen en Schrijven afgelopen zaterdag bekendmaakte dat tijdens de coronacrisis heel veel laaggeletterden zijn gestopt met hun cursussen, omdat ze onlineles volgen te ingewikkeld vonden of omdat ze überhaupt geen laptop hebben, was dat overal in het nieuws. Best veel mensen kunnen inmiddels de cijfers reproduceren: er zijn 2,5 miljoen mensen in Nederland die moeite hebben met lezen, rekenen en vaak ook met dingen digitaal regelen. En nee, dat zijn níet uitsluitend vluchtelingen, nieuwe migranten, mensen met een laag IQ of heel oude mensen van vóór de langdurige leerplicht.

Tegelijk is er niks veranderd, omdat er ondanks alle ach en wee en al het handenwringen en alle goede inspanningen van professionals en vrijwilligers de kraan gewoon open staat. Nog steeds komen er elk jaar jongeren van school met onvoldoende leesvaardigheden. Een kwart van de 15-jarigen leest niet goed genoeg en riskeert zonder ingrijpen een volwassen leven waarin veiligheidsvoorschriften op het werk, bijsluiters van medicijnen en álle brieven die de Belastingdienst stuurt één groot kippenhok-met-vos lijken.

Nog steeds zijn er 4-jarigen die de basisschool al beginnen met een achterstand, omdat ze amper zijn voorgelezen bijvoorbeeld. Nog steeds is de infrastructuur van inhaalonderwijs en volwassenenonderwijs en voorschools voorlezen voor elk kind niet helemaal op orde. Nog steeds maakt de overheid het leven nodeloos ingewikkeld, met eisen dat iedereen allerlei zaken online zelf regelt met een laptop en een DigiD, en met brieven vol zinnen waar een normaal mens geen wijs uit kan.

Deze zomer liet de wetenschapsredactie van de Volkskrant een stoet experts voorrekenen wat er nodig is om in 2030 iedereen goed genoeg kunnen laten lezen en schrijven om zich te kunnen redden.

Het kan, zeggen ze. We moeten het gewoon willen.

Meer over