EssayFokke Obbema

Het is zinvol om een verhaal van je leven te maken, leerde Fokke Obbema

Voor zijn interviews over een zinvol leven dompelde Volkskrant-redacteur Fokke Obbema zich wekelijks onder in het levensverhaal van anderen. Het bracht hem tot de vraag: hoe zou ik mijn eigen verhaal verwoorden? En wat is daarvan het belang?

null Beeld Foto Pauline Niks / Illustratie Matteo Bal
Beeld Foto Pauline Niks / Illustratie Matteo Bal

Wat is het belang van je levensverhaal, de in je hoofd zwevende losse flarden waar je afhankelijk van gehoor en omstandigheden soms iets over vertelt? In hoeverre kan dat houvast bieden, nu de ankers van religie en ideologie op de achtergrond zijn geraakt? Helpt het verwoorden ervan zicht op je bestaan te krijgen, of vormt het eerder ballast die je vastnagelt aan een verouderd zelfbeeld en je toekomstdromen afremt?

Toen ik vorig jaar voor de Volkskrant 45 gesprekken over een zinvol leven voerde, raakte ik door die vragen gefascineerd. Mijn wekelijkse onderdompeling in iemands verhaal wakkerde dat aan. Bovendien verwoordde de Duitse historicus Philipp Blom het belang van het levensverhaal prikkelend: ‘Het doel ervan is onze plaats in het grotere geheel te bepalen: weten wie we zijn, waartoe we behoren.’

Door die uitspraak begon ik me af te vragen hoe ik mijn eigen verhaal zou verwoorden, indachtig de uitspraak van de Hongaarse schrijver György Konrád: ‘Op de vraag naar de zin van het leven antwoordt eenieder met zijn levensloop.’ Wat zou ik vertellen, maar vooral: wat zou ik weglaten?

Zwarte bladzijden, herhaalde fouten – ze zouden helpen mezelf beter te begrijpen, meer dan de opgepoetste versie op mijn cv, maar de drang is sterk die pijnlijke episodes te verbloemen. Maar weinigen kunnen schrijver Oek de Jong volgen met zijn adagium: ‘Ik wil alles zien, niets uit de weg gaan.’ Verdieping in je levensverhaal is volgens hem noodzakelijk: ‘Iedereen maakt zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook. Een mens heeft dat absoluut nodig.’ Die uitspraak vormde het laatste zetje om het tot mijn onderwerp te maken.

‘Waar stond uw wieg en wie keken erin?’, waren de beginvragen van mijn ‘zinvol leven’-interviews, waarna ik ‘vormende ervaringen’ uit de jeugd en het volwassen leven ter sprake bracht. Wanneer iemand bereid bleek open kaart te spelen, leidde dat geregeld tot het delen van levenswijsheid, veroverd op het leven zelf. In de gesprekken zocht ik het gebied op waar levenservaring in wijsheid overgaat.

Het levensverhaal is in de woorden van schrijver Adriaan van Dis, die ik later sprak, ‘een rijnsteentje in je hand, waar je door het wat te kantelen een andere lichtstraal op kunt laten vallen. Dan zie je iets wat je daarvoor niet zag of niet toestond te zien.’ Wat je waarneemt, hangt af van je levensfase: ‘De tijd laat je op een andere manier kijken.’ Ook hij vindt de verwoording van eminent belang: ‘Je kiest voor een verhaal dat het leven draaglijk maakt.’

Historicus James Kennedy: ‘Ik weet dat ik voor mezelf een mysterie ben. Van sommige dingen kan ik niet verklaren 
wat mijn beweegredenen zijn.’ Beeld Jitske Schols
Historicus James Kennedy: ‘Ik weet dat ik voor mezelf een mysterie ben. Van sommige dingen kan ik niet verklaren wat mijn beweegredenen zijn.’Beeld Jitske Schols

Voor de wetenschappelijke godfather ervan, de Amerikaanse psycholoog Dan McAdams, valt het samen met onze identiteit: ‘Als jij me wilt kennen, moet je mijn verhaal kennen, dat bepaalt wie ik ben. Als ik mezelf wil kennen, als ik inzicht in de betekenis van mijn leven wil krijgen, moet ik ook mijn eigen verhaal te weten komen.’ Het levensverhaal als voorwaarde voor zin en betekenis, nothing less.

Zoeken naar mijn ‘ware zelf’

Grote woorden, maar hoe verhouden die zich tot het dagelijks leven? Zou ik aan de inhoud van mijn eigen levensverhaal kunnen toetsen of dit klopt? Predikant Claartje Kruijff daagde me tijdens de voorbereiding van een podcast uit met de confronterende vraag: ‘Hoe kijk je tegen je eigen ontwikkeling aan, de langere lijnen in je leven: hoe verhoudt je interviewserie zich tot wie je was voor je hartstilstand?’

In eerste instantie legde ik vlot plausibele verbanden: was ik niet vroeger al serieus, met een hang naar ascese, maatschappelijk geëngageerd, zoekend naar de waarheid en verlangend naar zoiets essentieels als een grote liefde? Een goede advocaat zou zo de ‘langere lijn’ kunnen trekken naar de vijftiger met existentiële vragen. Maar overtuigend vond ik het niet. In mij zat ook een officier van justitie die bewijzen vond voor een verhaal van te veel drank en vrouwen, een hang naar het goede leven, gesteld op mijn inkomen, minder diepzinnig dan ik zou willen. De vraag drong zich op: wie van die twee was mijn ‘ware zelf’?

Daarover peinzend kwam ik terecht bij een episode in 2007, na vijf jaar correspondentschap in Frankrijk. Maandenlang piekerde ik over mijn volgende carrièrestap, waarna ik mijn hoofdredacteur schreef dat ik ‘redacteur zingeving’ wilde worden. De krant had zijn lezers lelijk in de steek gelaten, vond ik: wel altijd aandacht schenken aan de waan van de dag, maar niet aan grote levensvragen. Daar wilde ik verandering in brengen.

Een mooi idee, reageerde de hoofdredacteur, maar chef economie vond hij een veel beter plan. Na een weekend bedenktijd zei ik ‘ja’ tegen hem; in plaats van een leven van bezinning kwam ik in het slijk der aarde terecht. Kort daarop brak de kredietcrisis uit en raakte mijn existentiële belangstelling bedolven onder economische opwinding.

Schrijver Maartje Wortel: ‘Ons zelfbeeld staat nooit vast, omdat we vol paradoxen blijven. Ik denk dat we ons erbij neer moeten leggen dat er vele versies van onszelf bestaan.’ Beeld Jitske Schols
Schrijver Maartje Wortel: ‘Ons zelfbeeld staat nooit vast, omdat we vol paradoxen blijven. Ik denk dat we ons erbij neer moeten leggen dat er vele versies van onszelf bestaan.’Beeld Jitske Schols

Wat leert deze episode me: volgde ik mijn ware aard door de wens van mijn hoofdredacteur te volgen, omdat ik braaf en een tikje statusgevoelig ben? Of verloochende ik mezelf door zo snel het onderwerp te laten vallen waar ik maanden op had gebroed?

Met de kennis van nu zou ik voor de verloochening kiezen. Zingeving zou pas tien jaar later weer bij mij in beeld komen, na mijn hartstilstand die uitmondde in de zoektocht naar ‘de zin van het leven’. Alleen: zou ik zonder die gebeurtenis nu ook voor de verloochening kiezen? Eerlijk gezegd weet ik het niet. Is het mogelijk dat je het ene ‘ware zelf’ in de ene fase bent, waarna zich weer een ander aandient? Hoeveel continuïteit zit er in dat ‘zelf’?

null Beeld Foto Pauline Niks / Illustratie Matteo Bal
Beeld Foto Pauline Niks / Illustratie Matteo Bal

Behoefte aan continuïteit

Dat is een vraag waar het levensverhaal antwoord op kan bieden. Zeker is mijn behoefte continuïteit en coherentie daarin te willen aanbrengen. Als zovelen probeer ik via vaste routines orde in de chaos van het bestaan te brengen. Na mijn hartstilstand ervoer ik de diepte van die behoefte. Uit mijn coma komend vroeg ik direct: ‘Breng jij de kinderen naar school?’ Bovenal wilde ik door op het ingeslagen pad.

Die gehechtheid aan continuïteit voel ik ook bij vragen naar ‘de Fokke van voor zijn hartstilstand’ tijdens boekoptredens. Bij de vragenstellers vermoed ik een verlangen naar catharsis: eerst een oppervlakkige journalist, dan iemand die eindelijk begrijpt dat het om de grote vragen gaat. Ik ging er niet in mee: ‘Ik heb een slecht ontwikkeld gevoel voor spijt’, antwoordde ik.

De werkelijkheid is gelaagder dan dat antwoord suggereert. De Fokke van voor zijn hartstilstand had al belangstelling voor existentiële vragen. Onmiskenbaar is mijn leven op een ander spoor terechtgekomen – niet alleen door de interviews, maar ook doordat ikzelf ben veranderd. Ik houd de wereld minder op afstand, doordat ik minder druk ben alle bordjes in de lucht te houden; eerder dan vroeger durf ik toe te geven dat ik dingen niet weet of dat ik me gestresst voel. Ook besef ik beter de waarde van het tonen van kwetsbaarheid, omdat dat een betekenisvoller contact mogelijk maakt.

Alleen moet ik bij deze mooie woorden ook denken aan alle keren dat me dit niet lukt; dat ik wederom alle bordjes in de lucht wil houden, me onkwetsbaar opstel en doe alsof ik geen last van stress heb. De vraag is dus: hoe wezenlijk zijn die veranderingen? Lijkt de nieuwe Fokke niet verdacht veel op de oude?

Die gedachte zie ik als de valkuil van de continuïteit. Ook al ervaar ik de veranderingen als positief, een deel van mij blijft hardnekkig neigen naar het zelfbeeld van een man uit één stuk – niet eentje die na een cesuur een ander mens wordt, maar iemand die onder alle omstandigheden zichzelf blijft. Wat dat ook mag betekenen. De behoefte aan coherentie en continuïteit, aan een sluitend of in ieder geval logisch overkomend verhaal, is sterk. Dat geeft de illusie van controle over het bestaan.

Welke impact heeft die behoefte op mijn levensverhaal? Mag ik zomaar lange lijnen aanbrengen die met het oog op een sluitend verhaal goed uitkomen? Verbanden suggereren die er misschien niet zijn en onwelgevallige passages weglaten om de controle over mijn bestaan te vergroten? De mogelijkheden tot manipulatie lijken me eindeloos. Wat is dan de waarde van zo’n verhaal, geschoeid op manipulatie en opportunisme, om maar te zwijgen van zelfbedrog – een verhaal met een dun, mogelijk gebroken lijntje tot de waarheid? Is het dan niet beter me toe te leggen op het ervaren van het leven zelf?

Schrijver Oek de Jong: ‘Iedereen maakt zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook. Een mens heeft dat absoluut nodig.’  Beeld Jitske Schols
Schrijver Oek de Jong: ‘Iedereen maakt zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook. Een mens heeft dat absoluut nodig.’Beeld Jitske Schols

Niet vastomlijnd

Steun voor die sceptische houding vind ik bij humanistisch hoogleraar Hans Alma. Tegenover ‘afgeronde’ levensverhalen staat zij wantrouwend: ‘Misschien dringt de chaos iets te vaak in mijn eigen leven door om daarin te kunnen geloven. Bovendien krijgt het leven er iets statisch door, terwijl beweging kenmerkend is. Je moet het niet in een mal willen gieten.’ Ook schrijver Maartje Wortel vreest een vastomlijnd zelfbeeld: ‘Dan is er geen beweging meer mogelijk en verstar je. Mij gaat het juist om het vraagteken, dat zet in beweging. Dat is voor mij de zin van het leven.’

Nu is een zelfbeeld iets anders dan een levensverhaal, maar de twee zijn wel verbonden: wat ons overkomt, beïnvloedt ons zelfbeeld en omgekeerd selecteren we voor ons levensverhaal gebeurtenissen die aansluiten bij ons zelfbeeld. Wie zichzelf ziet als ‘een overlever’ of ‘een slachtoffer’, vindt in zijn levensloop munitie. Wortel waarschuwt ertegen: ‘Dat zelfbeeld staat nooit vast, omdat we vol paradoxen blijven. Ik denk dat we ons erbij neer moeten leggen dat er vele versies van onszelf bestaan.’ Die worden niet alleen door onszelf gevormd, maar ook door opmerkingen van anderen: ‘Al die blikken op mij en mijn blik op mezelf, dat tezamen ben ik, maar je kunt dat niet in een zelfbeeld vastpinnen.’

Historicus James Kennedy relativeert ons vermogen tot zelfkennis eveneens. Niet-weten kenmerkt in zijn ogen de menselijke conditie. Als historicus ziet hij de geschiedenis als ‘een mysterie’: hoe meer hij weet over zijn specialisme, des te sterker beseft hij hoeveel hij niet weet; de ervaring van veel specialisten. Gegeven ons algemene niet-weten is het niet vreemd dat ook onze zelfkennis pover is. ‘De mens is vaak een raadsel voor zichzelf – hij kan zichzelf niet kennen’, zegt Kennedy stellig: ‘Ik weet dat ik voor mezelf een mysterie ben. Van sommige dingen kan ik niet verklaren wat mijn beweegredenen zijn.’

Die relativering geeft lucht bij het terugdenken aan keuzes die ik in mijn leven heb gemaakt. Adriaan van Dis verschaft die ook door het begrip identiteit op de hak te nemen: ‘Ik ben man, vrouw, Indisch, Europees, goed, slecht, schoft, engel, alles tegelijk. Dat maakt ons tot mens. Ik geloof niet in één identiteit, ik heb er wel zeventien. Soms ben ik er eentje kwijt en moet ik weer vreselijk zoeken.’

Identiteit is niet hetzelfde als zelfbeeld, maar bij beide draait het om de vraag: wie ben ik? Voortdurend zijn die beide begrippen in gesprek met je levensverhaal. Maar leidt dat ook tot zelfinzicht? ‘Iedereen heeft wel een levensverhaal, alleen is de vraag: in hoeverre identificeer je je met dat poppetje op die tijdlijn?’, zegt Fleur Jongepier, auteur van een proefschrift over zelfkennis en verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Als voorbeeld noemt ze de man die in zijn jeugd hooligan was, maar zich later in dat gedrag niet meer herkent. Die relativering brengt haar niet tot een ‘weg met het levensverhaal’-standpunt, maar ze zegt wel: ‘Het kan je ook enorm in de weg zitten. Het levensverhaal brengt je per definitie terug in het verleden en schetst een specifieke toekomst die met dat verhaal coherent is. Het kan bevrijdend zijn je af te vragen wat je in het hier en nu voelt en wilt. Dan kun je jezelf toestaan antwoorden te geven die van je levensverhaal afwijken.’

Chaos bestrijden

In weerwil van alle relativeringen blijf ik geneigd waarde eraan toe te kennen. Natuurlijk, je moet jezelf niet als ‘afgerond’ gaan zien, maar daar staat tegenover dat het wel houvast kan bieden – verhaallijnen kunnen een fundament bieden waarop je kunt terugvallen of voortbouwen. Met verhalen brengt homo sapiens sinds zijn ontstaan orde aan in de chaos, schrijft Dan McAdams in The Stories We Live By. De kaarten die het lot de mens toebedeelt, vormen aanslagen op die orde. De chaos die dan volgt, bestrijdt de mens met verhalen. Waarna het lot nieuwe kaarten uitdeelt en hij weer verhalen moet verzinnen. Wie aan dat perpetuum mobile coherentie wil geven kan niet om het levensverhaal heen, stelt McAdams.

De verwoording ervan biedt kans op wezenlijke inzichten, betoogt Ruard Ganzevoort, de VU-hoogleraar theologie die zich in de filosofische en psychologische dimensies van het levensverhaal heeft verdiept: ‘Om ons leven zinvol te kunnen leven, moet je antwoord vinden op twee vragen. De eerste is: wat ben ik hier in vredesnaam aan het doen? De tweede luidt: is er iemand in mijn leven die van me houdt? Dat zijn de hoofdbestanddelen van je levensverhaal. De eerste vraag geeft de structuur van je verhaal aan: waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe?’ De ordening die het levensverhaal aanbrengt, werkt door in ons dagelijks leven: ‘Basale vragen die we ons dagelijks stellen, zoals ‘ga ik wel of niet mijn ouders bezoeken?’, krijgen hun voeding vanuit die hoofdvragen.’

Hoogleraar Hans Alma staat wantrouwend tegenover ‘afgeronde’ levensverhalen: ‘Misschien dringt de chaos iets te vaak in mijn eigen leven door om daarin te kunnen geloven.’  Beeld Jitske Schols
Hoogleraar Hans Alma staat wantrouwend tegenover ‘afgeronde’ levensverhalen: ‘Misschien dringt de chaos iets te vaak in mijn eigen leven door om daarin te kunnen geloven.’Beeld Jitske Schols

Dat er meerdere personages in ons huizen, is voor McAdams en Ganzevoort een gegeven. ‘Ons leven is te complex om door een enkel personage te worden bevolkt’, schrijft de eerste. Dat vergroot voor hem alleen maar de noodzaak van een ‘coherent en geloofwaardig’ levensverhaal. Mensen streven daar uit zichzelf naar, leert zijn onderzoek. Zelfbedrog komt wel voor, maar is zeker niet de intentie.

Met de vorming ervan beginnen we in onze tienerjaren. McAdams noemt het de derde laag die ons levenslang vergezelt, na aangeboren karaktereigenschappen en de normen en waarden uit onze jeugd. In zijn ogen heeft een mens een ‘sociale verantwoordelijkheid’ om ‘een verhaal te vormen dat past bij de sociale en historische context waarin we leven’.

Persoonlijke lijfspreuk

Het levensverhaal kan de feiten geweld aandoen, maar dat doet er voor hem niet toe. Wanneer iemand over zichzelf beweert: ‘Ik ben al mijn hele leven een vechter’, kan dat niet kloppen, maar waar het om gaat is of diegene dat gelooft. Dan kan die ‘persoonlijke mythe’ hem maken tot wat hij zegt te zijn, in dit geval veerkrachtig. Gedachten zijn krachten, of zoals McAdams zegt: ‘We maken onszelf door de mythe’, door hem omschreven als ‘een heilig verhaal dat een persoonlijke waarheid bevat’.

Zelf spreek ik liever van een ‘persoonlijke lijfspreuk’ of ‘levensdevies’, omdat mythe kan worden opgevat als ‘praatje zonder grond’ (volgens Van Dale), wat bepaald niet de bedoeling is – de lijfspreuk bevat immers een voor de betrokkene essentiële waarheid. Bij McAdams’ ‘heilige verhaal’ voel ik ongemak, omdat het me al te verheven klinkt. De kijk op jezelf hoeft helemaal niet positief te zijn: wie zichzelf als slachtoffer ziet, wordt door zijn levensverhaal niet gesterkt, maar onderuitgehaald. ‘De kans dat hoofdstuk 38 anders leest dan de voorgaande 37 wordt dan heel klein’, beaamt Ganzevoort. Het levensverhaal niet als houvast, maar als last.

Toch weerhouden deze reserves mij er niet van de proef op de som te nemen: wat zou mijn persoonlijke lijfspreuk behelzen? Voor de beantwoording ga ik mezelf aandoen wat ik aan mijn gesprekspartners heb gevraagd: terugkeren naar de plek van geboorte en naar ‘vormende ervaringen’.

Mijn wieg staat in 1962 in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt. Mijn ouders zijn van hun katholieke geloof gevallen neerlandici. Mijn vader is net aan een loopbaan begonnen die hem tot specialist in middeleeuwse handschriften maakt. Mijn moeder raakt, kort na de geboorte van mijn zusje en nog niet afgestudeerd, opnieuw in verwachting. Gelegen komt de zwangerschap niet, zo is me vaak verteld. In mijn eerste jaar word ik veelvuldig ‘uitbesteed’.

Zes jaar later bevind ik me in een nieuwbouwwijk in het Leidse Morskwartier, waar ik met een voetbal mijn vaders studeerkamer binnenkom. Nee, voor voetballen heeft hij geen tijd, legt hij uit, want hij moet een proefschrift schrijven – een standpunt dat hij zes jaar volhoudt. Mij op een voetbalveld zien spelen is beneden zijn waardigheid. Tegen het einde van zijn leven kan ik enig begrip opbrengen, wanneer hij me vertelt dat zijn vader er nooit voor hem is geweest – mijn opa ging zijn volkomen ondoorgrondelijke weg. Mijn vader besteedt wel aandacht aan me, maar vrijwel alleen op intellectueel vlak: hij ziet een carrière in de wetenschap voor me weggelegd. Dat sport mij raakt, interesseert hem niet, zo laat hij duidelijk merken.

Vormend is ook dat mijn zus en ik niet de prioriteit hebben die kinderen tegenwoordig ten deel valt. Bevrijd van het religieuze korset richten mijn ouders zich in de jaren zestig en zeventig op hun zelfontplooiing en geluk. Het gaat met uitbundigheid gepaard – zij geven feestjes, wij waden ’s ochtends door een slagveld van peuken en flessen. Mijn moeder behoort tot de eerste generatie werkende vrouwen. Als geëmancipeerde vrouw wacht ze niet thuis met de theepot. Ze moet veel bordjes tegelijk hoog zien te houden: haar man, haar kinderen, haar baan als lerares aan het plaatselijke gymnasium. Dagelijks peil ik hoeveel ruimte er in haar hoofd voor mij over is.

Filosoof Philipp Blom: ‘Het doel van het levensverhaal is onze plaats in het grotere geheel te bepalen: weten wie we zijn, waartoe we behoren.’ Beeld Jitske Schols
Filosoof Philipp Blom: ‘Het doel van het levensverhaal is onze plaats in het grotere geheel te bepalen: weten wie we zijn, waartoe we behoren.’Beeld Jitske Schols

Aan het einde van mijn rechtenstudie zwenk ik weg van het pad dat mijn vader voor mij heeft uitgestippeld – ik kies voor de journalistiek. Voor hem de Middeleeuwen, voor mij de actualiteit, bedenk ik wanneer ik in de rij sta om hem met zijn hoogleraarschap te feliciteren. Wanneer ik vertel dat mijn academische carrière erop zit, reageert hij opvallend, ik kan het niet anders zeggen, sportief.

Tien jaar later, midden dertig, blik ik bij een psychoanalytica terug op een mislukt huwelijk. Mijn vrouw is van de ene op de andere dag weggegaan, een wending die me van de sokken blaast. Maandenlang bevind ik mij in een staat van somberte. In de therapie gaat het over mijn jeugd, waarbij mijn therapeut me laat inzien dat ik prestaties als voorwaarde voor liefde ben gaan zien. De daaruit voortvloeiende onzekerheid ligt mede ten grondslag aan het mislukte huwelijk. Ik blijk niet alleen slachtoffer, maar heb ook zelf een aandeel gehad.

Goed zoals ik ben

De voornaamste les kan ik pas tegen het einde van mijn therapie trekken, met mijn nieuwe geliefde, Carine. In de eerste weken dat we elkaar leren kennen, vertellen we elkaar ons levensverhaal, zoals geliefden doen (wat het grote belang ervan nog eens onderstreept). In tranen verhalen we hoe ons leven is verlopen. Met haar erváár ik wat ik in de therapie impliciet heb meegekregen: ‘Je bent goed zoals je bent.’

Dat zinnetje prevel ik tegenwoordig nog geregeld, wanneer ik mezelf weer onder druk zet in de hoop voor geleverde prestaties liefde te ontvangen. Zeker, die prestatiedrift heeft me veel gebracht, maar niet de innerlijke rust waaraan ik vooral behoefte voelde. Op den duur is die er wel gekomen, al raakt hij met periodes uit beeld. Zoals in het eerste jaar na mijn hartstilstand, toen ik financiële rampspoed voor ons gezin vreesde omdat ik mezelf niet meer bij de krant zag werken. Om mijn innerlijke rust te herstellen, helpt dan de lijfspreuk ‘Ik ben goed zoals ik ben’. Dat is het antwoord op het spoor dat in mijn levensverhaal is gekerfd.

Is dat verhaal met het voorgaande recht gedaan, heb ik de essentie weten te benoemen? Hier past bescheidenheid, omdat het leven tegenstrijdiger, genuanceerder en rijker is. Mijn jeugd zou ik niet als ongelukkig willen bestempelen, terwijl het voorgaande die indruk zou kunnen wekken – er was ook ruimte voor vrolijkheid, gezelligheid en saamhorigheid. Over mijn ouders valt een minder schematisch verhaal te vertellen.

Als jochie knuffelde mijn moeder me veel, dus in die vroege jeugdjaren had ik aan aandacht geen gebrek. Mijn vader heb ik als dertiger vergezeld op zijn wandeltocht naar Santiago de Compostella, een week waarin ik de vader-zoonband ervoer zoals ik me die als jongetje had gewenst. Die herinnering koester ik, al verdween dat saamhorigheidsgevoel weer. Ook gaf hij me het beeld mee van een man als baken van stabiliteit en betrouwbaarheid, wat maakte dat ik een vaste baan en een gezin als levensdoelen zag. Die fundamenten onder mijn bestaan zijn uiterst waardevol gebleken, zeker toen ik mezelf na mijn hartstilstand weer op de been moest krijgen.

Zo zijn er nuanceringen aan te brengen, maar mijn conclusie blijft dat het de moeite waard is je levensverhaal te verwoorden, in een poging er een lijfspreuk of levensdevies uit te destilleren. Dat kan de opmaat zijn tot een beter begrip van gebeurtenissen, tot herkenning van pijn wanneer oude littekens worden opengekrabd, en tot meer zelfinzicht. Opschrijven is niet vereist, maar komt wel de precisie ten goede. Het is immers een verhaal dat op vele manieren te doorgronden valt. Tijdens mijn therapie kwam het beeld op dat ik telkens over hetzelfde bos vloog. Afhankelijk van de route zag mijn leven er net even anders uit.

Van een toetsbare waarheid is geen sprake, maar met McAdams geloof ik dat dat minder belangrijk is – het draait om het vermogen in zo’n lijfspreuk te kunnen geloven. De kijk van anderen speelt daarbij een belangrijke, soms corrigerende rol: wie al te ver van de waarheid dwaalt, kan op tegenspraak rekenen. Gebruikelijker is het begrip te ontmoeten bij openhartigheid, ook wanneer zwarte bladzijden ter sprake komen. ‘Een vriend is iemand die alles van je weet en toch je vriend wil zijn, zei Toon Hermans ooit’, merkt Ganzevoort op. Als sociaal dier is de mens bij uitstek gevoelig voor andermans blik. ‘Goede vrienden en partners kunnen ons kennen op een manier waartoe we zelf niet in staat zijn’, zegt Jongepier. ‘Ze zien ons door de tijd heen en kunnen zo inconsequenties bespeuren die voor onszelf onzichtbaar blijven.’

Deel van een groter geheel

Met ons verhaal maken we deel uit van een groter geheel – van een gemeenschap en van een tijd met specifieke normen en waarden. ‘Ons idee is dat we allemaal individuen zijn. Maar dat we die overtuiging delen, geeft tegelijk blijk van een gezamenlijke waardenoriëntatie’, zegt Ganzevoort. Dat collectieve zit ook in je persoonlijke lijfspreuk – de mijne kom ik in interviews geregeld tegen.

Serieuze aandacht voor je levensverhaal, en dan vooral het delen met anderen, gaat niet zonder innerlijke weerstand, merk ik. Zijn die persoonlijke lotgevallen voor anderen wel van belang, vraagt mijn innerlijke rechter zich af. En dat inzicht ‘ik ben goed zoals ik ben’: is dat niet vanzelfsprekend? Of erger nog: een platitude, afkomstig uit zelfhulpboekjes?

Toch wil ik me niet laten leiden door angst voor dat soort reacties. Wellicht kunnen anderen, zo houd ik mijn innerlijke rechter voor, hun voordeel doen met iets dat ik als fundamenteel ervaar. Voor mij is de functie van mijn devies drieledig: het is een troostend antwoord op eerder leed, het is een wapen tegen onwelkome gevoelens en het werkt als stip op de horizon.

Dat het troost biedt voor wat ooit was, mag in het licht van mijn levensverhaal duidelijk zijn – opgelopen butsen en krassen kun je niet wegpoetsen, maar wel leren accepteren. Ook helpt ‘ik ben goed zoals ik ben’ in het alledaagse leven als wapen tegen overmatige zelfkritiek of bij stress – het werkt dan relativerend en kalmerend. Tenslotte blijft het een streven: ik mag dit devies nog zo fundamenteel vinden, geregeld ontglipt het me. Wellicht is het een altijd wijkende stip op de horizon, maar erheen koersen helpt me bij iets wat ik als essentieel ervaar: mijn innerlijke drijfveren serieus nemen en dus minder speelbal van de buitenwereld zijn.

De ontdekking van deze lijfspreuk zie ik als een hoopvol teken van persoonlijke groei. Wat een volgende stap kan zijn? Mogelijk het besef dat niet alleen ik, maar ieder mens in beginsel goed is zoals hij is. Dat zet me op het spoor van niet-oordelen, een wijsheid die in mijn interviews ook geregeld ter sprake is gekomen.

Als levenshouding spreekt dat me aan, gegeven de menselijke conditie van niet-weten, met gebrekkige zelfkennis voorop. Wie ben ik dan om te oordelen over de ander? Het brengt me bij een bovenal milde levenshouding. ‘We zijn levenslang beginners’, beseften de benedictijnen al in de 6de eeuw. Dat stemt bescheiden, nog zo’n begrip dat veelvuldig naar voren is gekomen. Om dit soort wijsheid, voortkomend uit het geleefde leven zelf, gaat het me vooral. De verdieping in levensverhalen vormt voor mij daartoe de sleutel.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van een essay in het nieuwe boek van Fokke Obbema: Een zinvol leven – De mens en zijn verhaal (Atlas Contact; € 24,99). Daarin zijn ook de ‘zinvol leven’-interviews gebundeld die vorig jaar in de Volkskrant zijn verschenen.

Meer over