ColumnSheila Sitalsing

Het is onbegrijpelijk dat er nog geen jongerenrevolutie is uitgebroken

null Beeld
Sheila Sitalsing

Een paar jaar geleden wierp ik op deze plek de theorette op dat de vergrijzing vreemde dingen doet met de mentaliteit in het land. Niet zelf bedacht, maar ooit gehoord van Jan Latten, gepensioneerd demograaf: dingen die horen bij jong en onderzoekend zijn – risico’s nemen, lawaai maken, experimenteren, in het diepe plonzen zonder bandjes, het vreemde en nieuwe gulzig omarmen – zou plaatsmaken voor de preoccupaties van de ouder wordende mens – bangig gericht zijn op conserveren wat je hebt, klagen over vermeende gevaren.

Prompt meende ik overal signalen te zien: afnemende tolerantie voor rondslingerende fietsen en ad-hocfeestjes op de stoepen, geklaag over vuurwerk en kabaal, obsessie met allerhande risico’s, vertrutting en de normen van het bejaardentehuis.

Al was er ook twijfel: risicomijding en verzekerdrift zijn misschien gewoon typisch Nederlands (behalve op vakantie, dan gaan Nederlanders ver weg op wandelschoenen hiken tussen guerillagroeperingen en is men hier in rep en roer als ze iets overkomt).

Toen kwam corona. Kinderen werden direct opgesloten, en bleven dat lang nadat duidelijk was dat ze de laagste risico’s lopen. Studenten bleven zelfs opgeborgen totdat iemand in Den Haag na een jaar tijd had om zich over hun toestand te buigen. Volwassenen kregen slechts een ‘dringend advies’ thuis te werken, en toen dat niet hielp, zijn de scholen gewoon nóg een keer dichtgegooid om kinderen te slachtofferen als enkelband.

Daarna kwam de obsessie met alles ’s avonds dichtgooien, de tijd waarop een beetje puber of student eropuit trekt. Avondklok, avondlockdown, alsof corona extra gevaarlijk is in het donker. Dit alles ‘om ouderen te ontzien’.

Zie je wel, dacht ik. Dit gebeurt er dus in een land waar de gemiddelde leeftijd 42,3 jaar is (in 1975 nog 33,2 jaar). Waar het aandeel van de groep jonger dan 20 jaar gestaag slinkt, waar het numerieke overwicht en de politieke macht ligt bij de veertigers, vijftigers en zestigers.

Al twijfelde ik nog steeds over de theorette: voorjaar 2020 zijn ook de oudsten in de verzorgingstehuizen op schandalige wijze aan hun lot overgelaten, toen alle schijnwerpers waren gericht op de ic-heroïek van Diederik Gommers en Ernst Kuipers. Ik las de interviews met 100-jarigen in de Volkskrant: stuk voor stuk gouden mensen.

Toen kwam het nieuwe regeerakkoord, klotsend van geld voor klimaatmaatregelen. Eindelijk iets voor de verre toekomst, eindelijk iets waar jongeren om vroegen. Alleen: ze moeten de rekening wel zelf betalen. Iedereen die nu lobbytoegang heeft tot ministeries, wordt ontzien.

Dat pikte de oppositie niet. Er moet nu betaald worden, en wel door vermogenden, was de – vruchteloze – eis. Even veerde ik op: dáár zit de stem van de jongeren. Maar helaas: in één adem door kwam het pleidooi voor een hogere AOW, een maatregel waarmee vooral geld naar de vele rijke bejaarden (prinses Beatrix!) lekt en die goed valt bij ouderen die politiek dakloos zijn nadat 50Plus zichzelf opblies. CBS-econoom Peter Hein van Mulligen herinnert aan de verhoudingen: Nederland telt 88 duizend ‘arme’ gepensioneerden, en 221 duizend kinderen die in een gezin met een laag inkomen opgroeien. Die arme AOW’ers kun je met specifieke maatregelen helpen. Wie niettemin een AOW-rekening van 2 miljard wil doorschuiven naar jongeren die daar zelf amper van zullen profiteren (zoek op franchise en aanvullend pensioen) haat jongeren.

Het is onbegrijpelijk dat er nog geen jongerenrevolte is uitgebroken. Hoog tijd voor stemrecht naar 16. Hoog tijd voor de barricaden.

Meer over