COLUMNEva Hoeke

Het is niet de regen die je nekt in de lockdown, het is de kinderhumor

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Ik was nét klaar met opruimen toen de Dochter (5) alweer beneden stond, in pyjama, knuffel in knuist. Prangende vraag in dat kleine hoofd: wanneer kwam nou papa eindelijk thuis?

Vermoeid keek ik haar aan: na een dag vol regen en sprookjes en cupcakes en drieduizend keer verkleden had ik weleens zin in iets voor mezelf, maar in plaats daarvan zei ik dat ik dat niet wist omdat haar vader bezig was met een nieuw televisieprogramma en dat daar een hoop tijd in ging zitten, ik probeerde daar verder niet rancuneus bij te kijken. Zij: ‘Wat ís een televisieprogramma?’

Ze peilde mijn stemming, zag dat ik capituleerde en kwam toen tevreden naast me op de bank zitten voor het antwoord. Ik dacht aan vroeger. Wanneer ik de boel na bedtijd kwam rekken keek mijn vader me altijd aan met een mengeling van spot en liefde, waarna hij zei dat ik een ‘zendeling’ was. Met een beetje mazzel krabbelde hij me daarna nog een poosje over mijn rug ook. Nu kuste ik die van mij zwijgend op haar kruin en antwoordde: ‘Een televisieprogramma is een soort show met allemaal gasten en grapjes.’

‘Grápjes?’

Ik zag haar nadenken. ‘Ik weet ook een grapje.’

O-oh, dacht ik, maar daar ging ze al. Ze wees naar iets in de lucht. ‘Kijk, een bal!’ Daarna sloeg ze zacht met haar vlakke hand tegen haar gezicht. ‘Oeps, daar komt hij tegen mijn neus!’

En een lól dat ze had.

Het is niet de regen die een lockdown zo lang laat lijken, noch de sluiting van winkels of de afwezigheid van vriendjes en vriendinnetjes, nee, het is die eindeloze kinderhumor die je nekt. Onze jongste (3) heeft niet eens een grap nodig om continu de slappe lach te hebben, die ligt om niks de halve dag dubbel. En als je nou nog eens méé kon lachen. De goeie niet te na gesproken hoor, maar verreweg de meeste kinderhumor is volslagen particulier, tergend traag en volkomen onnavolgbaar, en het niveau is niet zelden moreel zeer laag bij de grond. Het repertoire waar wij ons momenteel doorheen worstelen: alles met poepie-scheet-kak-en-bil, zelfverzonnen moppen, ‘grappige’ stemmetjes, vingers in uitgerekte mondhoeken en tussendoor is het hun missie mijn ziel te breken met de verhaspelde evergreen Sinterklaasje mikmak, mijn moeder is een dikzak, mijn vader is een hamer, smijt ’m door de kamer.

Nu lachen kinderen meer dan volwassenen omdat ze nu eenmaal meer nieuwe ervaringen opdoen die buiten hun verwachtingspatroon vallen, snap ik allemaal, en rijmelarijtjes als gekkie-bekkie en papa-krappa zíjn ook ontzettend grappig, het is vooral de herhaling die stoort. Erger dan de kinderhumor zelf zijn overigens de ouders die er niet voor terugdeinzen de witzen van hun kinderen in brede kring te delen. Tegen hen zou ik willen zeggen: beheers je, aangezien kinderhumor uitsluitend te verdragen is als het van je eigen kroost komt, en zelfs dan loop je tegen je grenzen aan. Aan de andere kant: hééft je kind een keer een voltreffer, serveer die dan ook royaal uit, want wij, je lotgenoten, weten precies hoeveel poepieschetebil-humor je de overige uren van de dag al hebt verstouwd.

De Dochter was ondertussen uitgelachen en keek mij nu verwachtingsvol aan, waarop ik pareerde met de enige mop die ik kan vertellen zonder de clou voortijdig te verklappen.

Ik: ‘Het is groen en heeft een gewei.’

Ze keek de kamer rond maar zag niks dat daarbij in de buurt kwam. ‘Wat is het, mama?’

Ik: ‘Een dophert.’

Ze begreep ’m niet maar lachte toch, uiterst beminnelijk, met toegeknepen oogjes en haar knuffel tegen zich aan. Zéndeling.'

Meer over