ColumnMarcia Luyten

Het hotel in de bergen toonde de kracht van gemeenschappen – en de ­zwakke plek

null Beeld
Marcia Luyten

Het hotel lag niet ver van het sanatorium waar De Toverberg van Thomas Mann zich afspeelt. De tijd uit die roman, de vroege 20ste eeuw, had hier stilgestaan. Het kraken van het majestueuze trappenhuis, het messing deurbeslag en honderd jaar oude kroonluchters. Kamers zonder wc of douche, zonder beeldschermen ook en, voor de pubers onvoorstelbaar, nergens bereik. De eerste dag deden wij nog onze kamerdeur op slot, maar dat was een beetje mal. Eenmaal binnen de door code 2G PCR begrensde bubbel was iedereen als familie. Men lette op elkaars kinderen, deelde spullen, muziek, sanitair en zat – op afstand – samen aan tafel.

In de avonden werd gepraat, gedronken, gepokerd. Gasten ruimden zelf hun tafel af, hielpen met de afwas en maakten hun eigen kamer schoon. Het touwtje van Jan Terlouw was de draad waarmee alle gasten zich verbonden wisten.

Samenzucht

Toen een bevriende schrijver een lezing hield voor GroenLinks, sprak hij over wat een samenleving bijeenhoudt. Na afloop kwam een partijlid met een vraag naar hem toe. Ik ben het helemaal met u eens, zei die, maar heeft u misschien een ander woord voor ‘gemeenschap’? In progressieve kringen baarde ontzuiling een valse tegenstelling. Daar wordt gemeenschap gehouden voor een begrenzer van persoonlijke vrijheid. Volgens die opvatting is een vrij individu ongebonden. Smalend werd gesproken over ‘samenzucht’.

Nu waren gemeenschappen tot de jaren zeventig vaak dwingend en bedilzuchtig, vooral waar de gemene deler religie en de kerk regisseur en zedenmeester was – niet anders dan in sommige islamitische kringen nu. Wie zich buiten de opgelegde kaders begaf, moest, net als Lale Gül nu, met de gemeenschap breken. En dus werden in het verlangen naar individuele vrijheid verbanden afgebroken.

Daarmee verdween ook veel van wat een leven zin en betekenis geeft. Identiteit werd uitgedrukt met huis, auto en vakantiebestemming; de burger werd consument. En buurthuizen, bibliotheken en maatschappelijk werk, de statelijke stutten van een gemeenschap, sneuvelden onder PvdA-bewind in de bezuinigingen van Rutte II. Wie weinig te besteden heeft, moet het ravijn aan leegte vullen met iets anders. De rancuneleer en het intolerante nationalisme van Wilders en Baudet gaven de verweesde burger een vuur om zich aan te warmen.

Lodewijk Asscher probeerde het met een alternatief: ‘progressief patriottisme’. Links bleek allergisch voor die term ‘patriottisme’ – nog steeds zijn er mensen die dan de laarzen horen stampen, en het liet de behoefte aan gemeenschap aan rechts. En dat terwijl juist Duitsland, waar politiek nationalisme nogal gevoelig ligt, een onsentimentele vorm van patriottisme ontwikkelde. Trots en liefde voor de grondwet zijn leidend in het Verfassungspatriotismus.

Gemeenschapszin

Nu bindt Corinne Ellemeet, nummer twee van GroenLinks, de strijd aan met ‘oud-progressief denken’. Individuele vrijheid als heilige graal heeft afgedaan, Ellemeet pleit voor gemeenschapszin. Dat is niet: mensen ‘terug in de zuilen proppen’, maar vitale gemeenschappen waarin mensen welbewust besluiten kunnen nemen. Een gemeenschap als niet-knellend verband, ruimdenkend en op vrijwillige basis, het is door verschillende politieke denkers beschreven: de Canadese filosoof Charles Taylor stelt dat een mens waarde en betekenis krijgt in een gemeenschap, de Amerikanen Michael Sandel en Robert Putnam wijten de politiek-maatschappelijke crisis in Westerse democratieën aan de teloorgang van sociale banden. In Nederland pleitten Jan-Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp al in 2004 voor ‘lichte gemeenschappen’; verbanden waaruit een individu zich ook weer zonder problemen kan losmaken.

Het hotel in de bergen was er een voorbeeld van: open voor wie wilde, met alle ruimte je eraan te onttrekken. Dat is: je te onttrekken aan het gezelschap van anderen, niet aan de afspraken die de gemeenschap haar kader geven. Alle kamerdeuren zijn open omdat niet wordt gejat. Niemand laat troep achter omdat iedereen zijn spullen opruimt. En het hotel toonde waar de sterke gemeenschap zijn zwakke plek heeft: ze is al snel weinig open voor nieuwkomers. Toen na een dikke week nieuwe gasten het hotel binnendruppelden, bezagen we met iets van vijandigheid hoe zij, glaasje welkomstprosecco in de hand, de foyer in beslag namen. Met een paar andere oude gasten zag ik ze liever gaan dan blijven. In plaats van te gaan, was ik graag zelf nog even gebleven.

Meer over