CommentaarPieter Klok

Het grootste gevaar voor de economie is nu misschien wel ons calvinisme

 Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) komt aan bij de persconferentie over het steun- en herstelpakket voor de economie. Beeld ANP
Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) komt aan bij de persconferentie over het steun- en herstelpakket voor de economie.Beeld ANP

In de hernieuwde economie is het tijd om te kijken naar verduurzaming, de tweedeling op de arbeidsmarkt en de vermogensongelijkheid.

De economie beleefde het afgelopen jaar de heftigste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, maar op veel plekken leek het alsof we juist een economische hausse beleefden. Het aantal faillissementen in Nederland lag lager dan voorgaande jaren, de huizenprijzen bleven stijgen, de beurskoersen – na een kleine dip – ook. Economische wetmatigheden uit het verleden lijken niet langer van toepassing, er is een nieuw financieel-economisch stelsel ontstaan.

De genius hierachter is Mario Draghi, de ECB-president die in 2012 besloot dat alles geoorloofd was om de euro­crisis te bezweren. Hij verlaagde de rente en begon zo veel geld in de economie te pompen dat de rente eenvoudigweg niet meer omhoog kon. Schulden waren daardoor ineens geen probleem meer, althans niet op korte termijn.

Draghi’s opvolger Christine Lagarde heeft het beleid op volle kracht voortgezet en er in de coronacrisis nog een schep bovenop gedaan. Onder haar bewind ging de rente nog verder omlaag, soms tot onder nul. Het ECB-beleid is zo krachtig dat alle negatieve effecten van de coronacrisis in de eurozone bijna geheel teniet worden gedaan.

Veel overheden, waaronder de Nederlandse, krijgen rente uitgekeerd, als ze geld lenen op de kapitaalmarkt. Het is dus niet verwonderlijk dat Wopke Hoekstra en Wouter Koolmees zo kwistig met geld strooien. Geld is gratis geworden. Rutte had er dan ook geen enkele moeite mee om 600 miljoen euro uit te keren aan de slachtoffers van de toeslagenaffaire. Vroeger was dat een fors bedrag, nu is het strooigeld.

Dankzij het ECB-beleid kon Wouter Koolmees, minister van Sociale Zaken, het enig juiste doen. Hij gaf iedereen zeer royale steun. Koolmees verdient lof voor de kordaatheid en snelheid waarmee hij deze operatie heeft geleid.

Een economische ineenstorting is uitgebleven, in de Westerse wereld althans, en dat mag gerust een wonder heten. De grote vraag is nu hoe we verder gaan. Er liggen een aantal gevaren op de loer. Het grootste gevaar is misschien wel ons calvinisme, de behoefte om na de crisis te bezuinigen om de staatsschuld af te bouwen. Dat is nergens voor nodig. De staatsschuld is zoals gezegd geen enkel probleem en wordt dat ook niet, zolang de ECB de rente zo laag houdt.

In het verleden leidde het monetair beleid dat de ECB nu voert vroeg of laat tot inflatie. In wezen is daar allang sprake van. De stijging van de huizen- en aandelenprijzen is in wezen een vorm van inflatie, geldontwaarding, alleen is deze vorm van inflatie niet desastreus voor de economie. Pas als de prijzen van ons dagelijks levensonderhoud ook omhoog gaan, is er een – groot – probleem. Of dit gaat gebeuren, laat zich ook niet voorspellen. We weten wel dat de ECB weinig kan doen om inflatie te bestrijden. De rente verhogen is eigenlijk geen optie, want dan komen veel landen al snel in grote financiële problemen.

De overheid moet de komende jaren vooral de vraag beantwoorden wat een wenselijke samenleving is. Hoe kunnen we de economie eindelijk verduurzamen? Tijdens de coronacrisis is gebleken dat geld geen probleem hoeft te zijn, zeker niet als het om eenmalige uitgaven en investeringen gaat. Hoe maken we een einde aan de tweedeling op de arbeidsmarkt? Wat kunnen we doen tegen de snel groeiende vermogensongelijkheid? De afgelopen decennia stond het overheidsbeleid vaak ten dienste van de financiën, veel maatregelen dienden om het huishoudboekje op orde te krijgen. De komende jaren mag het huishoudboekje weer ten dienste staan van de samenleving.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Meer over